Uit het Westen niets nieuws

Volgens historicus Niall Ferguson is de val van het Westen nabij, maar collega Ian Morris laat zien dat dit lang niet zo zeker is. En wat denkt oud-VN’er Malloch-Brown ervan?

Niall Ferguson: Civilization. The West and the Rest. Allen Lane, 402 blz, €19,95

Ian Morris: Why the West Rules – For Now. The Patterns of History and What They Reveal about the Future. Farrar, Straus and Giroux, 750 blz. €19,95. Vertaald door Conny Sykora als: De val van het Westen. Spectrum, 879 blz. € 39,95

Mark Malloch-Brown: The Unfinished Global Revolution. The Limits of Nations and the Pursuit of a New Politics. Allen Lane, 260 blz. €18,95.

Als orakel van het westerse verval heeft Niall Ferguson, hoogleraar geschiedenis aan de universiteiten van Harvard en Oxford, een klinkende reputatie opgebouwd. In Colossus (2004) kondigde hij aan dat de Verenigde Staten na de invasies in Afghanistan en Irak overbelast raakten. In The Ascent of Money (2008) waarschuwde hij dat het Westen na de financiële crisis van 2007/08 aan de vooravond stond van een langdurig onheil. Inmiddels, zo is in Civilization te lezen, weet hij het helemaal zeker: het tijdperk van vijfhonderd jaar westerse dominantie loopt af.

Hoe was het mogelijk dat de westerse beschaving omstreeks 1500 begon aan een lange opmars? En waarom komt daar een einde aan? Ferguson zoekt het antwoord op de eerste vraag in een combinatie van drie factoren: een economische productie die werd aangejaagd door marktwerking en technologisch- wetenschappelijke vernieuwing, een arbeidsethos dat wortelde in het christelijke geloof en politieke instituties die veranderingen in stabiele banen hielden. Twee van deze drie raken volgens Ferguson in het gedrang, de derde doet er minder toe.

De auteur stelt vast dat het Westen economisch snel wordt ingehaald door China, iets waar weinig tegen in te brengen is. Minder overtuigend is dat Ferguson voor de aantasting van het westerse arbeidsethos verwijst naar een Europa dat in het westerse machtsblok niet meer dan een junior partner is van de Verenigde Staten, waar nog wel heel hard wordt gewerkt en niet minder hevig in God wordt geloofd.

Nog vreemder wordt het als Ferguson schrijft dat China weliswaar achterblijft bij de vestiging van de rechtsstaat, maar dat deze opkomende mogendheid de politieke instituties kan missen die voor het westerse succes essentieel waren. Zolang de economische voorspoed doorgaat, aldus Ferguson, behoudt het regime bij de bevolking voldoende steun. Hij bagatelliseert het verlangen van de aanstormende middenklasse naar politieke zeggenschap en volstaat met een citaat uit een interview met een jonge Chinese televisieproducent: ‘Mijn generatie wil veel geld verdienen en denkt niet aan democratie.’ Als dat zo is, waarom reageerde het Chinese regime dan zo nerveus op de democratische opstand die sinds begin dit jaar de Arabische wereld overspoelt?

Ambitie

Civilization is flamboyant geschreven en getuigt van een imponerende kennis. Maar het is meer een verleidelijk dan een overtuigend werk. De ambitie om patronen te ontdekken die over een lange termijn de loop van de geschiedenis verklaren, leidt bijna dwangmatig tot een selectie van feiten en argumenten die de grote theorie ondersteunen. Zo krijgen we een geschiedenis die berust op willekeur.

Ian Morris, hoogleraar geschiedenis aan Stanford University, pakt het in Why the West Rules-For Now voorzichtiger aan. Hij is minder stellig in het trekken van historische lijnen. Ook zijn toekomstprognose is behoedzaam. De titel van de Nederlandse vertaling, De val van het Westen, is prettig sensationeel, maar onjuist. Dat China binnen twintig jaar de Verenigde Staten in economisch productie zal inhalen, is volgens Morris niet meer dan een waarschijnlijkheid. De 20e eeuw, aldus Morris, heeft een aantal momenten gekend waarop Amerika leek weg te zakken. In de jaren ’30 na de economische crisis (waarna in de jaren ’40 de nazi's werden verslagen), in de jaren ’70 als gevolg van de stagflatie en de nederlaag in Vietnam (waarna in het volgende decennium de SovjetUnie het onderspit delfde) en in de jaren ’80 toen Japan Amerika economisch leek in te halen (waarna in de jaren ’90 een forse opleving van de Amerikaanse productiecijfers volgde).

In Morris’ langetermijngeschiedenis speelt het brede begrip ‘sociale ontwikkeling’ een essentiële rol: in hoeverre zijn samenlevingen in staat vooruitgang te boeken? In de 20ste en 21ste eeuw is vooral de technologische revolutie hiervoor bepalend. De voorsprong van Amerika op dit gebied is nog altijd indrukwekkend, beklemtoont Morris, ook als het gaat om militair overwicht. Welk ander land was in staat geweest tot de operatie die een einde maakte aan het bestaan van Bin Laden?

Ook de politieke instituties die al meer dan tweehonderd jaar de interne stabiliteit garanderen dragen bij aan de nog altijd unieke Amerikaanse machtspositie. En de enorme overheidsschuld? Die overbelasting was inderdaad een reden voor Obama om de leiding in de Libische interventie door te schuiven naar bondgenoten Frankrijk en Groot-Brittannië. Maar een tekort van negen procent op de overheidsbegroting is op termijn te repareren. Het is te vroeg om Amerika te verwijzen naar het tweede plan.

Morris wijkt niet alleen van Ferguson af in zijn oordeel over het te verwachten verloop van de Chinees-Amerikaanse wedijver. Anders dan zijn collega wijst hij ook op nieuwe problemen die voor de nabije toekomst wellicht een grotere betekenis hebben dan de vraag wie de sterkste wordt: klimaatverandering, voedselcrisis, milieurampen, falende staten, migratie, nucleaire proliferatie. Deze moeilijkheden zijn zo groot dat de toekomstige mondiale verhoudingen volgens Morris afhangen van politieke leiders die over de slagvaardige kwaliteiten beschikken om grootschalige rampen af te wenden.

Gespannen voet

Deze diagnose, aan het einde van zijn boek, staat wel op heel gespannen voet met de langetermijngeschiedenis die Morris eraan laat vooraf gaan. Hoewel hij minder stellig is dan Ferguson, verdedigt ook Morris het standpunt dat het verleden patronen kent die ons in staat stellen de toekomst tot op zekere hoogte te voorzien. Deze vorm van geschiedschrijving roept de vraag op: wat doen mensen er nog toe?

Morris antwoordt in Why the West Rules dat menselijke handelingen de grote bewegingen van de geschiedenis slechts kunnen bespoedigen of vertragen. Maar als hij meent dat op dit moment de toekomst in beslissende mate afhankelijk is van de besluiten van politieke leiders, waarom zou dat dan in verleden anders zijn geweest? En wat blijft er dan over van de patronen die, ongeacht wat mensen doen en laten, de loop van de geschiedenis bepalen?

De Brit Mark Malloch-Brown biedt in zijn The Unfinished Global Revolution een mooie aanvulling op de boeken van zijn landgenoten Ferguson en Morris. Anders dan dit duo is hij niet gespecialiseerd in verleden en toekomst, maar in het heden. Hij is een man van de internationaal-politieke praktijk, na dienstverbanden bij de Verenigde Naties, de Wereldbank en een aantal ngo’s. Zijn boek is speels om niet te zeggen rommelig van opzet, maar biedt verhelderende inzichten in de grote kwesties van deze tijd.

De dringendste problemen hebben ook volgens Malloch-Brown een grensoverschrijdend karakter, maar de taaie natiestaat is onmisbaar bij het bieden van oplossingen. In zijn beschrijving van de mondiale instituties, vooral de VN, schetst hij een beeld van logheid en machteloosheid. Zijn ervaringen met vluchtelingenhulp en armoedebestrijding leiden tot de conclusie dat internationale instellingen in het beste geval de ergste nood kunnen indammen.

De verworpenen der aarde worden pas echt geholpen met de opbouw van een democratie die economische groei verschaft. Politiek leiderschap is onmisbaar om instituties te vestigen en te laten functioneren: hij noemt als voorbeelden Corazon Aquino in de Filippijnen en Ernesto Zedillo in Mexico. De opstanden in de Arabische wereld worden gehinderd doordat in Egypte, Libië en andere naties een leider van vergelijkbaar formaat nog niet opgestaan.

Ook mondiale problemen als klimaatverandering en nucleaire proliferatie kunnen volgens Malloch-Brown alleen beheerst worden als politieke leiders slagvaardigheid tonen. De auteur behoort niet tot de school-Ferguson, die Amerika als toonaangevende natie heeft afgeschreven. De Verenigde Staten blijven volgens Malloch-Brown ook in het tijdperk van de ‘global revolution’ de onmisbare natie. Noodzakelijke afspraken met andere staten, in de eerste plaats met de opkomende mogendheid China, zijn alleen mogelijk als de Amerikaanse president initiatieven neemt en de belangrijkste partners meekrijgt. De beheersing van de grote mondiale problemen, aldus Malloch-Brown, is uiteindelijk afhankelijk van de wilskracht die Obama en zijn collega-leiders weten op te brengen. Zo schudt deze praktijkman de hand die de historicus Morris aan het eind van zijn boek onverwacht uitsteekt. Het zijn uiteindelijk personen die het verschil maken.