Tv-gastheer met bloemrijk flux de bouche en aangenaam timbre

Met zijn talkshow Voor de vuist weg was Willem Duys in de jaren zestig en zeventig het gezicht van de Nederlandse televisie, beroemd om zijn eloquente improvisaties.

„Het valt mij buitengewoon zwaar, lieve mensen,” zei Willem Duys op 27 juni 1997 op de radio, aan het eind van zijn wekelijkse zondagochtenduur Muziek Mozaïek. „Met deze mooie klanken neem ik voorgoed afscheid.” Zelf had hij nog helemaal niet willen stoppen, maar het moest: zijn stem was door een herseninfarct schor en slepend geworden. Het fluistertimbre van weleer klonk nu rafelig en oververmoeid. Zodat er toch nog een tamelijk abrupt einde aan zijn omroepcarrière kwam, nadat hij bijna veertig jaar lang een van de meest vertrouwde figuren op radio en televisie was geweest - alsof Willem Duys altijd al had bestaan en ook nooit meer zou verdwijnen.

In Hilversum is hij woensdagnacht in zijn slaap gestorven aan een bacteriële infectie aan zijn longen. Hij was 82 jaar.

Hoe veel indruk hij heeft gemaakt, bleek vorige maand nog eens toen Matthijs van Nieuwkerk de duizendste aflevering van De wereld draait door geheel wijdde aan de man die hij als lichtend voorbeeld beschouwde – om zijn eloquente vocabulaire en zijn grote improvisatievermogen, de eigenschappen die ook Van Nieuwkerk zelf in ruime mate bezit. Duys was bij dat huldeblijk aanwezig, maar te broos om nog een woord te zeggen. Het spraakvermogen dat altijd zijn handelsmerk was geweest, was hij de laatste jaren zo goed als kwijt.

Na een paar baantjes in het buitenland (roestkrabber en teerspuiter bij de Franse spoorwegen, klerk op een kantoor in Londen) begon Willem Duys in 1949 als redacteur bij Het Vrije Volk, destijds de grootste krant van Nederland. Maar omdat hij niet altijd weerstand kon bieden aan zijn neiging de dingen iets mooier te maken dan ze waren, ervoer hij de journalistiek al gauw als een te beperkende werkkring. Hij werkte een paar jaar bij het reclamebureau van Unilever, werd publiciteitsman bij Philips Phonografische Industrie en was directeur van het propagandakantoor van de Nederlandse platenindustrie, dat ook het Grand Gala du Disque organiseerde – een jaarlijks tv-gala met sterren uit binnen- en buitenland.

Zo bracht de platenwereld hem in contact met de televisie, het nieuwe wondermedium dat al in een half miljoen huiskamers stond. Op 1 juli 1959 werd Duys door de AVRO gevraagd een korte inleiding te houden bij een optreden van de Amerikaanse hitzanger Johnny Ray. Moeiteloos improviserend schudde hij tien minuten lang de ene volzin na de andere uit zijn mouw. „Er is een ster geboren!” riep de dienstdoende AVRO-functionaris na afloop. Al gauw kreeg Duys de kans diverse muziekprogramma’s te maken. Ook werd hij tenniscommentator. In 1962 begon het radioprogramma dat hij 37 jaar lang zou maken. En een jaar later kwam Voor de vuist weg, de eerste Nederlandse talkshow naar Amerikaans voorbeeld.

In Muziek mozaïek draaide hij easy listening – Barbra Streisand, Frank Sinatra, Yves Montand – en platen van muzikale vrienden als Toots Thielemans, Rogier van Otterloo, Pim Jacobs en Louis van Dijk. Alles prees hij aan in bloemrijke bewoordingen. Zo waren zangers en zangeressen altijd zoetgevooisd en als de zon scheen, maakte hij doorgaans melding van een koperen ploert die in het zwerk stond te stralen.

Maar zijn grootste roem had Willem Duys aan de televisie te danken. Met Voor de vuist weg was hij de belichaming van „het avondje AVRO” dat in de jaren zestig en zeventig voor miljoenen Nederlanders het summum van tv-gezelligheid was. Eén keer per maand, zestien seizoenen lang, presenteerde Willem Duys een santekraam van artiesten, gasten met een curieuze hobby, huis- en wildere dieren, verhalenvertellers, vlotgebekte politici als Luns, Wiegel en Van Agt, populaire sportlieden en vele anderen. Hij had een neus voor stunts en werkte niet met vragenlijstjes, maar ging intuïtief zijn gang, waardoor de show vaak onverwachte wendingen kreeg, en rustig twintig minuten uitliep.

Graag maakte Duys zich ook tot tolk van het volksgevoel van de velen voor wie de omwentelingen van de jaren zestig veel te snel waren gegaan. In die gepolariseerde tijden werd Duys de held van rechts – en tegelijk dus de risée van links. Hij zette bijvoorbeeld een behoudend betoog van de door links geminachte toneelleider Carel Briels kracht bij door op te staan en het Wilhelmus te zingen, en tegen de moeder van een aangerand vierjarig meisje zei de presentator: „Ik denk dat als ik hem op heterdaad had betrapt, hem ter plaatse had doodgeslagen!” Zulke taal maakte hem niet bepaald populair bij het progressieve volksdeel.

Maar kritiek raakte hem niet. Hij had de muren van de wc in zijn huis in Blaricum geheel volgeplakt met negatieve kritieken.

Ook werd Duys geregeld beschuldigd van belangenverstrengeling. Hij gaf immers veel zendtijd aan artiesten en andere prominenten uit zijn vriendenkring, terwijl hij evenmin terugschrok voor de promotie van platen die bij zijn eigen platenmaatschappij (Iramac) verschenen, zoals de in zijn show gelanceerde carnavalshit Mien waar is mijn feestneus van Toon Hermans. Wat dat betreft was Duys de grootste marktkoopman van de Nederlandse televisie – als hij zei dat hij iets mooi vond, hoefde dat niet noodzakelijkerwijs de waarheid te zijn.

Maar hij was dermate aimabel en amicaal dat zulke schavuitenstreken hem nooit tot in de eeuwigheid zijn nagedragen.

Toen een boulevardblad ooit aan hem vroeg hoe hij zijn begrafenis voor zich zag, antwoordde hij: „Maar mevrouw, weet u dan niet dat ik samen met Mies Bouwman wordt bijgezet in het Nationaal Monument op de Dam?”