Samen tegen de stroom in

Erik Menkveld: Het grote zwijgen. Van Oorschot, 390 blz. € 20,–

Vijf jaar geleden schreef Erik Menkveld een brief aan Robert Schumann. Hij nam hem op in zijn brievenboek Met de meeste hoogachting. Menkveld vertelt hoe hij in de keuken staat te luisteren naar een van Schumanns ‘Exercises’ uit 1831 – een Beethoven-variatie, een pianostukje dat maar twee minuten duurt. Hij vindt het zo mooi dat hij volschiet. Dat ziet zijn achtjarige dochter. Zij wil weten waarom hij moet huilen om iets moois. Hij weet het niet zo goed en mompelt dan maar iets over de verschillende associaties die de ‘Exercise’ bij hem wekte: beelden van een serre bij een oude villa, lichtgewemel, een karaf met sinaasappelsap.

Zijn dochter vindt deze verklaring niet erg overtuigend. Als zij allang schouderophalend is afgedropen, peinst Menkveld nog wat over de kwestie na. Geeft muziek toegang tot een wereld die niet kan worden beschreven, maar alleen gevoeld? Is muziek iets bovenaards? Zijn tonen ‘hogere woorden’, zoals Schumann zelf meende, die zich een weg banen naar de ziel van de luisteraar? Of kan je er niet veel meer over zeggen dan dat het een mysterie is waarom je soms geraakt wordt door ‘een paar goed gekozen noten’? Het is dan ook dapper dat Menkveld vijf jaar na zijn brief aan Schumann met een complete historische roman komt over twee Nederlandse componisten. In Het grote zwijgen geeft hij een portret van Alphons Diepenbrock (1862-1921) en de 26 jaar jongere Matthijs Vermeulen (1888-1967), tijdgenoten van onder anderen Mahler, Debussy en Schönberg. Twee gedreven autodidacten, die hun leven lang tegen de stroom in roeiden en die afwijzing, miskenning en betrekkelijke armoede trotseerden om hun roeping te kunnen volgen.

De heren leren elkaar, in Menkvelds reconstructie, kennen in 1910, na een lovende recensie van Vermeulen over de muziek die Diepenbrock schreef bij een mythologisch blijspel. Er ontwikkelt zich een vriendschap tussen meester en leerling. Voor Vermeulen is Diepenbrock een voorbeeld – componist van onder meer het orkestlied Im grossen Schweigen (1906). Hij wil zelf ook ‘polymelodische’ muziek componeren, in ‘een nieuwe symfonische taal’. En net als Diepenbrock heeft hij hooggestemde idealen. De muziek vertegenwoordigt het hogere: God, eeuwigheid, goedheid, waarheid, liefde. Daartegenover staat dewerkelijkheid waarin het draait om minder mooie zaken: verraad, miskenning, jaloezie, geweld.

Terwijl de heren zitten te zwoegen op hun opus magnum, stort de wereld rondom hen in. We krijgen een indruk van het slechte huwelijk van Diepenbrock met Elsa, die zuinigjes wordt getypeerd als ‘een niet onaantrekkelijke Brabantse freule’. Zijn erotische betrekkingen met Jo, een vroegere leerlinge, maakt de verhouding er niet beter op. Pikant is natuurlijk ook de latere relatie tussen Elsa en Vermeulen, die een definitief einde maakt aan de vriendschap tussen de twee mannen. En op de achtergrond is er de Eerste Wereldoorlog, met alle ellende die daarbij hoort.

In Het grote zwijgen wordt, in weerwil van de titel, veel gepraat. Met vaak net iets te grote woorden. ‘Deze muziek is onmetelijk en mysterieus als het heelal en tegelijk innig en vervoerend’, lezen we over de vierde symfonie van Mahler. ‘En dan heb je de orkestversie nog niet gehoord. Ongelooflijk! Het werk van een meester die van ziel tot ziel weet te spreken, die het eeuwige achter het tijdelijke weet op te roepen, een richtingwijzer.’ Het zijn machteloze formuleringen, die weinig verduidelijken. Ook als Menkveld alledaagse gebeurtenissen beschrijft, of iemand probeert te typeren, is zijn toon vlak en onpersoonlijk. Hij zegt zelden iets op een bijzondere manier, zoals wanneer hij een man in de concertzaal, vlak voor de pauze, alvast laat snuiven ‘aan de popelende sigaar in zijn pochet.’

Ik had graag wat meer popelende sigaren gezien en wat minder esoterie, minder ‘Oerlicht’, ‘bovenaardse schoonheid’ en ‘buiten-tijdelijkheid’. Van het heilige vuur en de goddelijke vonk waardoor Menkvelds helden zich laten inspireren is weinig terug te vinden in de roman.

Het is geen straf om te lezen over de buitenechtelijke escapades van Diepenbrock en Vermeulen, of over hun verwoede pogingen om Mengelberg en andere Nederlandse muziekbonzen aan hun kant te krijgen. Maar vurig wordt het nergens. Menkveld beschrijft het allemaal wat stijfjes; hij weet geen echte ontroering te wekken, geen oprecht medelijden, geen plaatsvervangende woede over de kennelijke misstanden in de toenmalige orkestwereld.

Toen ik de roman uit had, besloot ik tot een klein experiment. Wat zou Schumann bij mij te weeg brengen? De ‘Exercise’ waarover Menkveld het in zijn brief uit 2006 had, kon ik zo gauw niet vinden. Maar wel een van Schumanns Kinderszenen, een pianostukje van nog minder dan 2 minuten, ‘Von fremden Ländern und Menschen’ om precies te zijn. En ja. De tranen sprongen mij in de ogen. Dat was mij bij het lezen van Het grote zwijgen geen enkele keer overkomen.