Rintje Medicijn

Rintje is ziek. Als de school is afgelopen, gaan Henriette en Tobias bij hem op ziekenbezoek. Onderweg naar Rintjes huis kopen ze nog een lekker kluifje.

De moeder van Rintje doet open. ‘Wat fijn dat jullie er zijn, Rintje ligt in zijn mand.’ Als Tobias en Henriette de kamer van Rintje binnenkomen zien ze Rintje in zijn mand liggen. Of eigenlijk zien ze alleen zijn zwarte neus en een klein stukje van zijn witte snuit.

Henriette voelt aan Rintjes neus. ‘Droog,’ zegt ze. ‘Dan weet je het wel. Als je een droge neus hebt, ben je ziek.’

‘Wat heb je?’ vraagt Tobias. Nu komt Rintjes hoofd tevoorschijn. Hij ziet er anders uit dan normaal. Zijn ogen zijn klein en ook heel waterig.

‘Het doet overal pijn,’ zegt hij. ‘Ik kan niets meer, zelfs niet meer lopen.’

‘Overdrijf je niet een beetje?’ vraagt Henriette. ‘Jongenshonden overdrijven altijd zo als ze ziek zijn. Jullie jongens zijn veel kleinzeriger dan meisjes!’

‘Ik overdrijf niet,’ zegt Rintje. ‘Ik kan niets meer!’

‘We hebben een kluifje voor je meegenomen,’ zegt Henriette.

‘Dank jullie wel,’ zegt Rintje. ‘Maar ik heb nergens trek in. Ik zal het kluifje bewaren voor als ik weer beter ben.’

‘Zullen we dan een liedje voor je zingen?’ vraagt Tobias. ‘Daar vrolijk je misschien een beetje van op?’

‘Oh nee,’ kermt Rintje. ‘Ik heb ook heel erge hoofdpijn, alsjeblieft geen muziek!’

‘Wat moeten we dan?’ vraagt Henriette. ‘Jullie moeten naast mijn mand blijven zitten,’ zegt Rintje. ‘Jullie hoeven niets verder, dat hoort zo bij ziekenbezoek.’

Henriette trekt haar wenkbrauwen op. ‘Wat een saaie boel.’

‘Laten we maar even blijven zitten,’ zegt Tobias zachtjes. Even later steekt mama haar hoofd om de deur. ‘Rintje, de dokter is er, hij komt even naar je kijken.’ ‘Spannend!’ zegt Henriette. ‘Nou wordt het toch nog leuk!’

‘Zo jongeman,’ zegt de dokter. ‘Ik zal eens kijken wat er aan scheelt.’

Uit zijn grote dokterstas haalt hij een luisterinstrument en legt het op Rintjes rug en daarna op zijn borst.

‘Mag ik de zuster zijn?’ vraagt Henriette aan de dokter. ‘Natuurlijk,’ zegt de doker. ‘Misschien wil je even de thermometer uit de tas pakken? Dan gaan we kijken of Rintje koorts heeft.’

Henriette buigt zich over de dokterstas en pakt de thermometer.

De dokter steekt hem onder Rintjes tong. Dan kijkt hij op zijn horloge. Even later haalt hij de thermometer weer uit Rintjes mond.

‘Je hebt inderdaad koorts. Je moet echt in je mand blijven, je hebt een lentegriepje.’

‘Krijgt Rintje ook een medicijn?’ vraagt Henriette. ‘Dan zal ik hem zijn pillen geven.’

‘Bij griep hoef je niet echt een pilletje,’ zegt de dokter. ‘Maar ik weet wel een ander medicijn!’

‘Wat dan?’ vraagt Tobias.

‘Dat zijn jullie!’ lacht de dokter. ‘Er helpt niets zo goed tegen ziek zijn als goede vriendjes die op bezoek komen. Als jullie goed voor Rintje zorgen, is hij zo weer beter!’

Sieb Posthuma