Red onze tanks!

Mladic’ arrestatie bracht de hulpeloosheid van Dutchbat in Srebrenica in herinnering. Een paar Leopardtanks hadden het drama voorkomen, betogen J.H. de Jonge en J.L. Vermeulen. Straks praat de Kamer over afschaffing van de tanks.

Het bericht dat generaal Ratko Mladic was gearresteerd, sloeg in als een bom. Hij leidde in 1995 de Bosnisch-Servische troepen die duizenden moslimmannen naar de dood voerden vanuit de enclave Srebrenica, waar ze onder bescherming stonden van Nederlandse VN-militairen. Het nieuws van de arrestatie raakte iedereen, in het bijzonder de mensen die toen betrokken waren bij dat drama; nabestaanden, veteranen, verantwoordelijke militairen, politici. Je kon er ook niet omheen. De hele dag en ook de dagen erna werden op televisie die vreselijke beelden eindeloos herhaald.

Van al die indrukken werden wij destijds stil. Het was die indringende radeloosheid van opgejaagde burgers, die je zelfs in de huiskamer bijna kon ruiken. Je voelde je beschaamd. Tegelijkertijd was daar die indringende machteloosheid, die van die Nederlandse militairen afstraalde. Een veel te grote blauwe helm op een smal hoofd. Slanke, haast magere, ontblote armen die als sprietjes uit een zwaar en log scherfvest staken. En veelal een blik in de ogen van die jonge, onervaren soldaten die uitdrukte: wat gebeurt hier in godsnaam allemaal?

Daar stonden ze, outmanoeuvred en outgunned. Toen het erop aankwam, was er geen steun van anderen, waren er onvoldoende adequate wapensystemen, was er vrijwel geen vuurkracht. Samengevat: het bataljon had géén tanden. Je kunt als infanteriebataljon vreselijk goed getraind zijn, maar als je niet de juiste mix van wapensystemen ter beschikking hebt, begin je met een achterstand op technisch, tactisch en mentaal vlak. Je staat onmiddellijk op nadeel.

In die beelden uit 1995 komen naast de radeloze burgers en de machteloze Nederlanders ook de betrokken Bosnisch-Servische soldaten prominent naar voren. Wij zien een paar van hun tanks, een paar stukken geschut en wat infanteriegevechtsvoertuigen. Het zijn allemaal oude barrels, waar je geen cent voor zou geven. Op dat moment zijn ze al een halve eeuw oud, en en het gaat dus zeker niet om hoogwaardige technologie. Het materieel is ongetwijfeld langzaam, de kanonsystemen zijn zeker volslagen onnauwkeurig. Maar ze staan daar wél en ze kunnen door hun bepantsering incasseren, met één schot een observatiepost wegvagen, op hun rupsbanden een geblokkeerde weg verlaten en het naastliggende terrein gebruiken om voorwaarts te gaan. Zelfs zo’n oude tank heeft een pacificerende werking: de ander voelt zich erg klein worden.

Er was nóg een reden waarom onze tenen zich kromden toen we opnieuw naar die beelden keken. Wij zagen daar een terrein dat zich bij uitstek leende om die oude Servische barrels met de superieure Nederlandse Leopardtank op drieduizend meter afstand met één schot weg te vagen. Een observatiepost waar zo’n Servische tank opdook, zou maar om hulp hoeven roepen en de Leopard was er met zijn gigantische mobiliteit en kracht binnen de kortste keren geweest. Dat had de verhoudingen onmiddellijk in ons voordeel veranderd. Met slechts een paar van die tanks had Dutchbat de Bosnisch-Servische aanval gestopt, de slachting onder de burgers voorkomen en de wereldgeschiedenis veranderd.

Wij zullen nooit meer Nederlandse militairen in zo’n uitzichtloze, ingesloten omgeving inzetten. Die les is geleerd. Maar het valt niet uit te sluiten dat Nederlandse militairen ooit weer in een situatie verzeild raken waarin plotseling een soortgelijke onbalans blijkt in kracht en zwaarte van wapensystemen, in ‘tanden’.

Neem Libië. De ‘opstandelingen’ komen zonder steun geen meter verder. Ze stuiten op de tanks die het Libische leger inzet. Zelfs de oppermachtige NAVO-luchtmacht brengt daarin niet snel verandering. Het is de balans in gevechtskracht op de grond die als altijd doorslaggevend is. De tank heeft daarin een rol, een cruciale rol zelfs, en dan spreken we niet eens over grote aantallen. En let op: er zijn veel meer locaties, ook op het Afrikaanse continent, waar milities over enkele tanks beschikken.

Terug naar de televisiebeelden die werden uitgezonden op de dag van de arrestatie. Voormalig minister Voorhoeve van Defensie is prominent te zien. In één van de vele gesprekken stelt hij zichzelf de vraag: „Wat had ik in vredesnaam binnen de regering nog meer kunnen doen?”

Wij zouden zeggen: toen weinig meer, waarde Voorhoeve. Maar nú wel.

Immers, toen hadden wij tanks tot onze beschikking, maar we gaven ze niet mee aan onze infanteristen. Als we dat wel hadden gedaan, was de geschiedenis drastisch anders verlopen. Wij zullen niet meer in een ‘enclavesituatie’ raken, maar er zijn nog steeds momenten denkbaar waarop de inzet van de tank broodnodig is.

En wat zien we nu? Op 6 juni, vrijwel direct nadat we ons door Srebrenica weer hebben gerealiseerd hoe belangrijk de tank is, vraagt minister Hillen de Kamer instemming met zijn plan de tanks in het Nederlandse leger maar helemaal af te schaffen! Dan hebben we niet eens meer de mogelijkheid ze toe te voegen als steun aan de infanterie. Zijn we dan echt zo kort van geheugen? Zien we dan niet dat ‘anderen’ ons, net als in 1995, niet gegarandeerd te hulp komen? Dat we niet van hen afhankelijk moeten willen zijn? Hebben we dan echt niet geleerd dat wij van eigen kracht moeten uitgaan? Brengen we als leidinggevenden onze jonge soldaten dan weer in zo’n machteloze positie?

Voormalig minister Voorhoeve, wat u in vredesnaam zou kunnen doen, is even praten met minister Hillen. Zijn plan om de laatste tanks die we nog hebben weg te doen, is waanzin. Het brengt de levens van Nederlandse militairen extra in gevaar. Wellicht nog erger: het maakt hen machteloos. En het maakt anderen, die van hen afhankelijk zijn, radeloos.

J.H. de Jonge Generaal-majoor der Cavalerie b.d.

J.L. Vermeulen Brigade-generaal der Infanterie b.d. en voorzitter Nederlandse Officieren Vereniging