Ons brood cirkelt in de ruimte

Mannen op de maan, oorlog in Vietnam, Watergate, het aftreden van president Nixon en de teleurstelling over Gerald Ford – het komt allemaal terug in de bluessongs uit de jaren ’70 waaraan nu een studie is gewijd.

Guido van Rijn: The Nixon and Ford Blues. African-American Blues and Gospel Songs on Vietnam, Watergate, Civil Rights and Inflation, 1969-1976. Agram Blues Books, 301 blz. ISBN 978 90 814715 2 7. € 30,- Te bestellen via de website home.tiscali.nl/guido, net als de twee bijbehorende cd’s.

Altijd gedacht dat Michael Jackson de uitvinder van de moonwalk was. Toen de popster in 2009 overleed, vertoonde iedere televisiezender de beelden van de dans waarmee hij in het begin van het videocliptijdperk beroemd was geworden: een serie vloeiende bewegingen die de illusie gaf dat hij vooruitliep, terwijl hij eigenlijk stapjes naar achteren zette. Maar de moonwalk, of back slide, is een uitvinding van de jaren zestig, de hoogtijdagen van de ruimtevaart. En het was de blueszanger King Solomon die haar in een liedje vereeuwigde, een paar maanden voordat de eerste man op de maan stond. In ‘The Moon Walk’ zingt hij over een mooi meisje dat met de Apollo 9 is teruggekeerd op aarde en een ‘brand new dance’ demonstreert. Makkelijk na te doen, en dan ben je de ster van de dansvloer: ‘Look like you’ve been on the Moon yourself, brother.’

Het Amerikaanse ruimtevaartprogramma was een populair onderwerp bij zwarte artiesten, die hun vaste thema’s – liefdesverdriet, luxedromen, maatschappijkritiek – koppelden aan raketten, astronauten en zelfs het Mannetje van de Maan (die volgens een van hen ook dol was op soul food). Maar niet iedere blues- of gospelzanger was onverdeeld enthousiast, zo blijkt uit Guido van Rijns Nixon and Ford Blues, een beschrijving en analyse van de muziek waarmee door zwart Amerika werd gereageerd op de presidentschappen van Richard Nixon en Gerald Ford (1969-1976). Drie weken na de maanlanding kwam zanger-pianist Otis Spann met de ‘Moon Blues’, waarin hij trots melding maakt van ‘a brand new Moon since two man walked up there’, om daaraan toe te voegen dat het voor hem en zijn liefje nog dezelfde harde wereld is, en dat het ruimtebudget misschien ook gebruikt had kunnen worden om de nood van de armen te ledigen: ‘They got all that bread just to send peoples into space, / But the cupboard’s bare for us, baby, we ain’t going any place.’

De elektrische-bluespionier Howlin’ Wolf, bekend als zanger van het klassieke ‘Back Door Man’, klonk in 1973 even scherp maar beduidend optimistischer. In ‘Coon On The Moon’ – een gewaagde titel, aangezien het woord coon, wasbeer, een blank scheldwoord voor een zwarte was – gaf zijn tekstschrijver Eddie Shaw in zestien regels een samenvatting van de zwarte emancipatie, van slavernij op het platteland tot burgerschap met carrièreperspectief. Vroeger noemden ze ons coons en verklaarden ze ons voor gek, zingt hij. Maar de tijden zijn veranderd en nu moet je niet raar opkijken als je op een ochtend wakker wordt en een ‘coon sitting on the Moon’ ziet. (Iets wat overigens nooit zou gebeuren: toen de eerste zwarte astronaut tien jaar later de ruimte in ging, was het maanwandelen al afgeschaft.)

De maanblues zijn de vrolijkste voorbeelden van de ‘topical songs’ die Guido van Rijn heeft verzameld in het vijfde deel in een reeks historische studies die in 1997 begon met zijn proefschrift Roosevelt’s Blues. De Nederlandse blueskenner en amerikanist laat hierin zien hoe de zwarte bevolking van de VS aankeek tegen de opeenvolgende presidenten. Dat leverde niet alleen geweldige, vaak in vergetelheid geraakte muziek op, maar soms ook nieuw licht op oude kwesties. Zo kon Van Rijn op basis van 128 blues- en gospelsongs uit het interbellum vrij nauwkeurig – en nog belangrijker: vanuit zwart perspectief! – laten zien waarom het Afro- Amerikaanse volksdeel in 1936 massaal overging naar de Democraten. De Republikeinen mochten dan de erfgenamen zijn van de grote emancipator Abraham Lincoln, het was de Democraat Roosevelt die vanaf 1932 écht iets deed voor zwart Amerika. Het pakket van maatregelen dat hij nam om werkloosheid en armoede tegen te gaan, kwam voor een belangrijk deel ten goede aan de zwarten, van wie aan het begin van de jaren dertig 40 procent zonder werk zat. En de blueszangers deden daar verslag van, als een soort CNN van de onderklasse.

Blues en gospel gebruiken als oral history, dat is het uitgangspunt van Van Rijn. Het hoeft niet te verwonderen dat naarmate de bronnen over de Black Experience rijker vloeien, de informatie uit de songs minder exclusief wordt. Maar voor de muziekliefhebber maakt dat niet uit. Van Rijns monografieën over de blues onder Truman en Eisenhower, Kennedy en Johnson zijn alleen al uit muziekhistorisch oogpunt van onschatbare waarde. De compilatie-cd’s die tegelijkertijd met de boeken werden uitgebracht, wemelden van de verrassende liedjes – over de atoombom, de Koreaanse Oorlog, de Burgerrechtenbeweging, de economie, de Vietnamoorlog en natuurlijk de moorden op Martin Luther King en de Kennedy’s. Ook op President Nixon’s Blues en President Ford’s Blues trekt het politieke panorama van de vroege jaren zeventig aan je voorbij, in muzikaal gevarieerde songs met titels als ‘Damn Nam’ en ‘Inflation Time’, ‘Watergate Blues’ en ‘This Energy Crisis Is Killing Me’.

Dit laatste liedje, gezongen door Bob Starr in 1974, toen Amerika zuchtte onder een olieboycot en de daarmee gepaard gaande economische crisis, is het hoogtepunt van de aan Ford gewijde cd met 20 nummers; een snel ritme en een geestige tekst, waarin de zanger zijn fellow Americans aanraadt om de benenwagen te nemen – rechtstreeks naar het stempelkantoor. Op de Nixon-cd (22 nummers) wordt de show gestolen door de Californische gitarist-pianist Thomas Shaw, die niet alleen zingt dat hij Nixon in een droom tegenkwam bij de voedselbank (‘Richard Nixon’s Welfare Blues’) maar ook dat de crisis zijn lieve leventje verstoort. In ‘Hey Mr. Nixon’ (1973) zegt hij de president de wacht aan (‘you know your Watergate’s ’bout to wash down’) en klaagt hij dat de prijs van jam omhoog is gegaan. Zoals wel vaker in de blues zit de tekst vol met dubbelzinnigheden. ‘Jelly’ is jam, maar kan ook slaan op een prostituee. En in dat licht lees je de laatste strofe ook heel anders: ‘Reduced my meat and sugar, rubber’s disappearing fast. / You can’t ride with me no more; Mr. Nixon got my gas.’

Van Rijn heeft de 164 door hem geanalyseerde songs – soul en funk werden buiten beschouwing gelaten – ingedeeld in zeven thematische hoofdstukken die de geschiedenis van de veelbewogen jaren van Vietnam en Watergate beschrijven. Zijn proza is schools en de analyses gaan af en toe van de hak op de tak, maar de getranscribeerde teksten uit wat hij ‘open brieven’ aan de presidenten noemt, maken veel goed. Wat te denken van Memphis Slim die, zingend over Vietnam, meldt dat hij liever thuis vecht omdat hem dáár onrecht wordt aangedaan. Of Percy Mayfield die zingt dat hij blij is dat hij geen president is, omdat de opnames van je privéleven (denk aan Watergate) dan zomaar in de openbaarheid kunnen komen: ‘Hell I wouldn’t want the people knowing, man, but what about my wife’. Of Cooper Terry die wel een manier weet om het Witte Huis zwart te krijgen: gewoon platbranden die handel.

Overigens blijkt uit Van Rijns boek dat de zwarte bevolking aanvankelijk helemaal niet negatief tegenover Nixon stond; per slot van rekening was hij de president die de desegregatie het voortvarendst had aangepakt. Pas door de economische crisis, die de Afro-Amerikanen opnieuw hard trof, en door Nixons geklungel in de Watergate-affaire, brokkelde de zwarte steun voor zijn presidentschap af. Het werd tijd voor een zwarter Witte Huis, vonden de blueszangers. In ‘Coon On The Moon’ werd daarop al gezinspeeld: ‘You gonna wake up one morning, and the old coon will be the President.’

Zanger Howlin’ Wolf maakte dat niet meer mee; Barack Obama betrad het Witte Huis pas 33 jaar na diens dood in 1976. Maar zijn presidentschap is ongetwijfeld stof voor deel tien van het levenswerk van Guido van Rijn, het luisterend oor van de zingende minderheid. ‘Listen to the voice of experience’, zong Rufus Thomas in 1973; ‘I wouldn’t tell you nothing wrong.’