Niet spelen met de pianoleraar

Richard Masons nieuwe roman draait om de decadentie van de Amsterdamse elite uit 1900. Soms doet zijn boek aan Thomas Rosenboom denken.

Richard Mason: Geschiedenis van een genotzoeker. Uit het Engels vertaald door Dennis Keesmaat. De Bezige Bij, 350 blz. € 18,90

De vrouw van je baas nemen op een chaise longue is in het echte leven meestal geen goed idee. In een roman ligt dat anders. Al moet de schrijver wel aan enkele voorwaarden voldoen om het geloofwaardig te houden: je hoofdpersoon moet een opportunist zijn die mooi, getalenteerd, kunstzinnig en fijngevoelig is. De vrouw van de baas is natuurlijk ouder, maar ze moet er nog goed uitzien voor haar leeftijd. Het helpt wanneer ze al jaren geheelonthouding praktiseert omdat haar man dat heeft beloofd aan God.

De in Zuid-Afrika geboren Britse romanschrijver Richard Mason (1978) beschrijft in zijn vierde roman Geschiedenis van een genotzoeker net als in eerdere romans een hechte familie die door omstandigheden bedreigd wordt. Deze keer is het de komst van een buitenstaander, de jonge huisleraar Piet Barol, die onrust stookt. Deze Piet (uit Leiden!) gaat werken bij de familie Vermeulen-Sickerts, om daar les te geven aan een zoon die al anderhalf jaar niet meer het huis uit durft. Geleid door een soort verschijningen die hij ‘Schaduwmannen’ heeft gedoopt, straft deze jongen zichzelf elke ochtend met ijsbaden, fuga’s van Bach en zorgvuldige stappen op het plavuizen, die moeten voldoen aan een bepaald aantal binnen een bepaald patroon.

De heer des huizes is een godvrezende selfmade man die ooit ijsblokken naar de Verenigde Staten vervoerde om daarmee ijskasten te vullen. Een zaak die hem geen windeieren heeft gelegd, want hij is stinkend rijk en heeft een huis vol zilveren en kristallen snuisterijtjes. Piet weerstaat de verleidingen van de dochters, redt met zijn overspel nota bene het huwelijk van de ouders en wint het vertrouwen van de zoon, zodat die geneest van zijn waanvoorstellingen en naar school kan. Met het geld dat hij verdiend heeft, vertrekt hij vervolgens naar Zuid-Afrika om daar nog veel meer nieuw geluk te vinden.

Een avonturenroman dus, die zich afspeelt in 1907. Vooral in Amsterdam, want de familie Vermeulen woont in de Gouden Bocht. Het verhaal draait om de decadentie en het verval van de elite. Het is uit verveling dat men zich stort op de knappe huisleraar, en dat sluit aan bij het dreigende bankroet van de familie, die zich heeft gewaagd aan verkeerde investeringen.

Het verhaal is knap opgezet, alle personages komen aan het woord, tot en met de huisbedienden die veel te hard moeten werken voor hun geld. Iedereen heeft zijn heimelijke (homo-)erotische fantasie – vaak met de huisleraar in de hoofdrol. De maaltijden worden uitgebreid beschreven, tot en met champagnetoetjes. Je kunt merken dat Mason zich goed heeft verdiept in de tijd. Alles klopt, en zo krijgt de intens opportunistische hoofdpersoon alle ruimte om zich vrijelijk te bewegen. Zelfs de verwijzingen naar de muziek – Piet zingt vaak aan de piano om de familie te vermaken – passen perfect. Wanneer Piet een aria uit Bizets Carmen zingt, doet hij dat niet voor niets: ‘Het was een verpletterende keuze, want de woorden gaven vorm aan gevoelens in Jacobina [de vrouw des huizes] waarvan ze zich pas zes uur eerder bewust was geworden’. Ze is ontroerd door het gezang, en niet alleen zij, ook de bedienden genieten, en zo vinden de personages de weg naar de gevoelens die zo lang afgesloten bleven.

Ook de samenzang met de heer des huizes is voortreffelijk en dubbelzinnig: ‘Het laatste refrein zongen ze triomfantelijk, in een volmaakt spel van toon en tempo, en ze voelden zich toegenegen, onafscheidelijk en bijzonder verkwikt, alsof Bizets overdadige harmonieën hen bevrijd hadden van het vergif in hun ziel.’

Bij zo’n bloemrijke beschrijving krijg je het idee van doen te hebben met een briljante parodie op klassieke Engelse 19de-eeuwse romans en hun naturalistische stijl. Maar lees je verder, dan verdwijnt dat idee weer; zo ironisch is Mason niet. Nee, hij meent het, en heeft een historische roman geschreven over de nadagen van het fin de siècle. Helaas horen daar nogal uitgesponnen beschrijvingen bij, en talloze bekende elementen. Ik noemde al het verval van de elite. Ook de dreiging van de oorlog ontbreekt niet en natuurlijk zijn de VS het beloofde land.

Wat voegt Mason toe aan dat bekende beeld? In wezen weinig. Het verhaal is langdradig – wellicht is dat een keuze geweest om de lamlendigheid van de vrouwelijke elite te weerspiegelen, maar ik vrees dat dát nu weer niet bewust is gedaan. Wat dit boek vooral opbreekt is het gebrek aan ironie. Masons werk doet soms denken aan de romans van Thomas Rosenboom, die ook oog heeft voor het verval van zijn tijd – maar Rosenboom weet zijn personages met een goed gevoel voor absurdisme neer te zetten. En dat doet Mason niet: hij zet de volmaaktheid van de façade zo rechtlijnig neer dat het verval niet pijnlijk maar voorspelbaar wordt. Alsof hij onvoldoende vertrouwde op zijn verhalen en bang was dat de lezer de tragiek door verveling zou ontgaan.

‘Wordt vervolgd,’ zijn de slotwoorden. Ongetwijfeld, want op de avonturen van een opportunist kan je eindeloos voortborduren. Maar het is de vraag of dat ook gewenst is. Hopelijk blijkt uit een tweede deel alsnog dat het hier om een parodie gaat, waarbij ‘wordt vervolgd’ een knipoog is naar de historische soap die Geschiedenis van een genotzoeker vooralsnog is.