Leren eten, slapen, beminnen

Wat meer realisme over de liefde kan geen kwaad. Maar hoe kun je realistisch zijn over zoiets ongrijpbaars? Drie auteurs over binding anno 2011.

Jan Drost: Het romantisch misverstand. Anders denken over liefde. Bezige Bij, 318 blz. €18,50.

Paul Verhaeghe: Liefde in tijden van eenzaamheid. Over drift en verlangen. Bezige Bij, 253 blz. €18,50.

John Gray: Venus is hot, Mars is cool. Over liefde, hormonen en energie. Spectrum, 282 blz. €19,99

Romantici opgelet: hij bestaat niet. Die prins of prinses met mooie ogen, een lieve glimlach, een onuitputtelijk libido of juist eindeloos begrip voor uw eigen gebrek daaraan, die is er niet.

De mens is een dwaler als het op liefde aankomt – nu meer dan ooit, betoogt de Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe in een gewijzigde herdruk van zijn bestseller Liefde in tijden van eenzaamheid. ‘De liefde, dat is maar voor even’, opent hij zijn schets van het huidige tijdsgewricht, ‘voor zolang het duurt’.

Zo’n houding is misschien reëel, aldus Verhaeghe, maar onze behoefte aan emotioneel houvast is onverminderd groot. Op individueel niveau valt er voor de moderne mens meer te kiezen dan ooit, maar wie stuurt hem nog richting het goede? Op kerk noch staat noch werkgever durft hij nog te vertrouwen, hij heeft twijfels bij elke autoriteit – om te beginnen die van zijn eigen vader. Maar een mens kan het niet alleen. Zoals dolende kiezers daarom massaal ten prooi vallen aan ‘primaire oervaders als Poetin en Berlusconi’, zo zoeken liefdesparen ‘wanhopig naar een nieuwe zingever die hun kan voorschrijven hoe ze horen te beminnen.’

Wetenschappers reduceren liefde graag tot een reeks ‘aan genen en hormonen gekoppelde reacties’, maar het is meer dan dat. ‘Wie verliefd is, is deemoedig’, citeert Verhaeghe Sigmund Freud, in de hoop zo meteen critici de mond te snoeren die denken dat ‘die gore freudianen elk verheven gevoel met infantiele kak en pis besmeuren’. Ook Freud wist liefde van lust te onderscheiden.

Maar hoe het ongrijpbare een plaats in ons leven te geven? Wat we in elk geval níet moeten doen, aldus filosoof Jan Drost in zijn boek Het romantisch misverstand, is dromen over liefde. Dromen is gemakkelijk – je kunt het in je eentje – en het is veilig: je stuurt, vult in en tankt bij naar eigen believen. Tv-series, films, popsongs en reclameposters te over om de romantische fantasie mee te voeden. Maar Drost vindt dit schadelijk. Romcoms zijn sprookjes. Zelfs wie zich dat terdege bewust is, doet er goed aan zijn consumptie te matigen. De kloof met het eigen leven wordt er groter door, en dat maakt verdrietig (‘Waarom gaat het bij mij niet zo?’), eenzaam (‘Iedereen heeft iemand behalve ik’) en ontevreden (‘Zo verrast zij mij nou nóóit’).

In een glasheldere, rustige stijl bouwt Drost een pleidooi op voor het actief besturen van onze eigen gedachten over liefde, om zo tot een beter, want werkelijk resultaat te komen. Ook daarbij kan kunst een helpende hand bieden, mits er geen hapklare oplossingen worden verwacht. Bij Saul Bellow, Milan Kundera, Rutger Kopland, Schopenhauer en Plato vindt Drost passages over liefde die de complexiteit van het fenomeen zijns inziens meer recht doen.

Hij destilleert daar onder meer een handig lijstje uit van wat liefde allemaal níet is: ‘Liefde is geen bezit; liefde is geen macht; liefde is geen strijd; liefde is geen versmelting; liefde is geen kennis.’ Als datingsites dit toch eens als startpagina zouden instellen, betrad de gemiddelde zoekende beter voorbereid het toneel. Liefde is ook geen idee, al loont het de moeite om erover na te denken. En hoewel het hevige emoties teweegbrengt, is liefde geen gevoel.

Voor echte liefde moeten wij ‘vallen’ of ‘afdalen’ naar het hier en nu, en onze geliefde juist van een afstandje bekijken. We worden gehersenspoeld om te denken dat we willen versmelten met een ander, maar eigenlijk blijven we liever onszelf – gesmoord worden is helemaal niet veilig of leuk.

Doel van liefde zou de constructie van iets gezamenlijks kunnen zijn, een ideaal waaraan beide partijen zich committeren. Dat dat de nodige inzet vergt, zal iedereen die een langdurige emotionele band met een ander onderhoudt kunnen beamen. ‘Liefde is geven wat men niet heeft’, citeert Verhaeghe de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan.

Voor de ploeterende stellen die het aan tijd of geduld ontbreekt voor Drosts stichtende woorden, biedt succeauteur John Gray misschien uitkomst: de bedenker van het inmiddels geheel ingeburgerde ‘Mars en Venus’-principe, waarbij man en vrouw als wezens van verschillende planeten worden gedefinieerd, komt nu met Venus is hot, Mars is cool. Zoals in al zijn boeken legt Gray de simpele oorzaak voor onze malheurs bij onze hormonen. Kort gezegd: de moderne tijd eist van vrouwen dat ze ‘man’ en van mannen dat ze ‘vrouw’ worden, en dat geeft stress. Zij wordt een bazige go-getter, die na een werkdag geen pap meer kan zeggen en zich terugtrekt in haar hol – precies zoals de oerman vroeger van de jacht herstelde. Haar man daarentegen praat dat het een aard heeft – van al dat meehelpen in het huishouden is hij veranderd in een softie, die zich niet mannelijk meer voelt en voor haar dus ook niet aantrekkelijk meer is. Gray schetst twee karikaturen, maar ze zijn wel herkenbaar.

Wil dit stel standhouden, dan zullen ze weer Man en Vrouw moeten worden door hun onderlinge verschillen te accentueren – hierin vinden Gray, Drost en zelfs Verhaeghe elkaar. Gray komt met een oer-Amerikaans totaalpakket van tips voor lichaam en geest: beter eten, beter slapen en zonodig een therapeut inschakelen. Om anti-stress-hormoon (oxytocine) aan te maken, kan een vrouw daarnaast ‘een geurig bad nemen’, ‘het huis versieren met vers geplukte bloemen’ of ‘een uur of meer wandelen en kletsen’ – met haar vriendinnen wel te verstaan, níet met haar man. Die is intussen aan het klussen in de schuur of kijkt lekker tv. Liefde is meer dan hormonen, natuurlijk. Maar zo’n geurig bad kan onmogelijk kwaad.