Ja, de kerken lopen leeg, maar religie verdwijnt niet

De meeste Nederlanders knutselen hun eigen geloof in elkaar.

Joep de Hart bracht de zwevende gelovigen in kaart. „Religie gaat nu veel sterker over persoonlijke groei.” 

Ja, waarschijnlijk is er wel iets tussen hemel en aarde. De mens kan toch niet alles weten? En er zal toch wel leven na de dood zijn? Maar laten we eerst zoeken naar onze innerlijke god.

Zo ongeveer klinkt de stem van religieus Nederland. 86 procent van de bevolking gelooft iets of twijfelt althans. Atheïsten zijn er weinig.

De secularisering heeft niet gewonnen. Ja, de kerken lopen leeg, maar religie verdwijnt niet. De toestand van religieus Nederland lijkt stabiel. Aldus cultuur- en godsdienstsocioloog Joep de Hart. Zojuist verscheen zijn boek Zwevende gelovigen. Oude religie en nieuwe spiritualiteit (Uitgeverij Bert Bakker). Het is een analyse op basis van gegevens die het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verzameld heeft. De Hart doet er al sinds 1993 onderzoek naar voor het SCP.

Volgens klassieke maatstaven neemt de religiositeit in Nederland nog altijd af. Iets minder dan 40 procent van de Nederlanders is lid van een kerkgenootschap en 15 procent gaat iedere week naar de kerk. In de jaren 90 was dat meer: 47 en 21 procent (en in 1966 véél meer: 67 en 50 procent). Maar geloof is veel breder geworden dan de kerk. Nog altijd gelooft zo’n 60 procent van de bevolking in God of ‘een hogere macht’. En dat is al zo sinds de jaren 90.

Het percentage atheïsten neemt wel toe, maar blijft klein: zo’n 14 procent van de bevolking. Eind vorige eeuw was dat 10 procent. Het resterende kwart van de bevolking is agnost: misschien is er iets, misschien niet, ze weten het niet.

De Hart: „De sociologen die ooit dachten dat de hele maatschappij ongelovig zou worden, liepen echt te ver voor de muziek uit. Ja, in Oost-Duitsland en Tsjechië is dat gebeurd. Daar gelooft bijna niemand nog in hogere machten, maar dat is internationaal zeer uitzonderlijk. Vreemd genoeg zijn daar wel de alternatieve geneeswijzen zeer populair.”

Vrijwel alle Nederlandse Turken en Marokkanen zien zichzelf als moslims, maar een ruime meerderheid gaat bijna nooit naar een religieuze bijeenkomst. Eenderde van hen gaat iedere week, en dat aandeel neemt af – behalve bij tweedegeneratie-Marokkanen, die juist iets vromer worden.

Echt opvallend vindt De Hart dat in Nederland ook de opmars van ‘alternatieve geloven’ (New Age, spiritualiteit) op grenzen stuit. Ooit gold die vrijere en individualistische tak van religie als een gevaarlijke tegenhanger van de oude godsdienst. Nu lijkt meer sprake van een fusie. Ook in gevestigde religies domineren ideeën over zelfontplooiing en eigen keuzes in het geloof. Ook in spirituele centra lopen vooral ouderen rond.

De Hart: „De mensen die aan spiritualiteit of New Age doen, lijken nu op de klassieke gelovigen. Ze zijn alleen tien jaar jonger. In spirituele centra vind je vooral mensen tussen 40 en 55, in de kerken zijn ze gemiddeld ouder. De hogeropgeleiden doen aan yoga en mystiek, de lageropgeleiden aan alternatieve geneeswijzen en magie.”

Televisieprogramma’s over contact met doden, zoals van Char Margolis, of over de opvolger van ‘mentalist’ Uri Geller zijn populair. Maar slechts 10 à 15 procent van de bevolking gelooft echt in helderziendheid, geluksgetallen en contact met doden, citeert De Hart SCP-onderzoek. 10 tot 25 procent denkt dat het ‘mogelijk waar’ is.

Holisme, het idee en de ervaring dat ‘alles één’ is, lijkt meer mensen te trekken. 80 procent van de bevolking is wel eens diep geraakt door de schoonheid van de natuur en bijna 30 procent heeft wel eens het gevoel gehad ‘één te zijn met alle dingen’.

Zijn spiritualiteit en geloof nog wel twee afzonderlijke werelden?

De Hart: „Niet perse. De oude tegenstelling met de kerken is minder geworden. Slechts een kwart van de ‘alternatieven’ is echt alternatief en wil niks met de grote wereldgodsdiensten te maken hebben. De rest knutselt van alles door elkaar in zijn eigen hobbykelder.

„De kerken doen hun best de tegenstelling aan te scherpen, maar in werkelijkheid zijn veel kerkleden opgeschoven naar hetzelfde soort vrije geloof dat ooit als alternatief gold. Het voornaamste verzet tegen de alternatieve ideeën is te vinden bij de bevindelijk gereformeerden en de radicale verlichtingsdenkers, kleine groepen. De helft van de Nederlanders zegt nu dagelijkse beslissingen vooral te nemen op intuïtie. Dat was onbestaanbaar in de tijd van mijn ouders. Nog maar dertig jaar geleden zouden ze toch echt hun verstand hebben genoemd.”

Dus vaagheid, vrijheid, vrije keuze en zelfontplooiing domineren nu vrijwel heel godsdienstig Nederland?

„Ze zijn zeker in belang toegenomen. Religie blijkt heel goed te kunnen voortbestaan zonder kerk of orthodoxie. In de jaren 70 verdween het klassieke godsbeeld en kwam het ietsisme op. In de jaren 80 kwamen er vooral veel twijfelaars bij. De meeste Nederlanders behoren niet tot de overtuigde ongelovigen en ook niet tot de echte gelovigen, maar zoeken hun weg daartussendoor.

„Eenderde van de Nederlanders die in God gelooft, zegt nu dat religie meer met een zoektocht dan met vaste overtuigingen heeft te maken. En tweederde van álle Nederlanders zegt dat je ‘waarheid innerlijk moet ervaren’. Dat is bij de atheïsten en agnosten lager dan bij de gelovigen en ietsisten, maar het scheelt niet veel. De trend is: optimisme ja, pessimisme nee.”

Dus niemand gelooft nog in de hel?

„Niet niemand. Maar minder dan 20 procent van de bevolking gelooft in een hel of duivel of ziet de mens als zondig en breekbaar. Maar tweederde gelooft in een leven na de dood. En 40 procent gelooft in wonderen en in het nut van bidden. Daar komt bij dat klassieke elementen van het geloof nu heel anders worden geïnterpreteerd. Bidden is geen vraag meer aan God, maar voor veel mensen een soort meditatief moment.

„Het geloof in leven na de dood kan neerkomen op reïncarnatie, en ook de beleving van een geboorte kan nu opgevat worden als een wonder. Religiositeit gaat vandaag de dag veel sterker over persoonlijke groei, of, zoals een andere onderzoeker het noemde: de viering van het zelf.”

Wat is dan nog het belangrijkste verschil tussen de traditionele gelovigen en de nieuwe ietsisten?

„Als je kijkt naar maatschappelijke effecten, is het belangrijkste verschil tussen kerkelijke gelovigen en niet-kerkelijken nog dat kerkleden twee à drie keer zoveel doen aan vrijwilligerswerk en goede doelen als gewone burgers. Leden van een voetbalclub doen ook vrijwilligerswerk, maar alleen voor hun eigen club. Vooral vrijzinnige kerkleden doen het ook voor groepen buiten hun eigen gemeenschappen. Het interessante is nu dat de 10 à 15 procent van de bevolking die in groepsverband aan spiritualiteit en New Age doet, met cursussen of discussiegroepen op internet, óók veel actieve vrijwilligers levert.”

Dit gaat vooral over wat oudere Nederlanders. Wat geloven de jongeren?

„Eigenlijk niet zo heel veel anders dan de ouderen. En, ondanks alle individualisering, ook niet zo heel veel anders dan hun leeftijdgenoten. De vraag is of ze dat zelf weten. Want onder de jeugd ontbreekt een gedeeld religieus vocabulaire. Bij elke jongere lijkt een nieuwe wereld te beginnen, tenminste in hun eigen ogen. In de praktijk is dat niet zo. Er wordt nog vrij massaal gebeden door jongeren, al gaat het ook hier eerder om een moment van bezinning en overdenking van je leven. Dat bidden gebeurt vooral ’s avonds, in bed – niet in een kerk.”