In 't Spanje van m'n ouders verandert nooit wat

De protestbeweging in Spanje zal toch echt zelf erkenning moeten verdienen.

Ouderen zullen de jeugd niet helpen.

Mijn ouders besloten in september 2004 om naar Spanje te emigreren. Voor mijn vader betekende dat een terugkeer naar zijn geboortegrond. De burgemeester van het dorp had zich persoonlijk bemoeid met de aankoop van de woning. Hij had gewezen op de subsidie die geldt voor alle Spanjaarden die naar hun vaderland wilden retourneren. Mijn ouders konden kiezen uit een ruim aanbod. Overal in het dorp werd gebouwd. In aantal woningen overtreft het nieuwe gedeelte de oude kern.

Zeven jaar later staan veel huizen leeg. De problemen in het dorp, en zelfs in de straat waarin ze wonen, zijn tekenend voor de problemen in Spanje. De burgemeester heeft mijn ouders toegezegd dat er niet zou worden gebouwd voor hun huis. Dat bleek een leugen. Voor het huis verschenen garages. Achter hun patio doemde een nieuw rijtje huizen op. Blijkbaar speelden er andere belangen. Leugens en corruptie gaan hand in hand en niet alleen op lokaal niveau. De dorpelingen ontmoeten elkaar tot diep in de nacht voor de garages en maken veel herrie. Ze hebben geen werk, maar scharrelen zwart bij. Ondertussen ontvangen ze een uitkering. Mijn ouders zijn het zat. Ze willen verhuizen, maar zijn bang dat ze hun huis niet verkocht krijgen.

Hun angst is gegrond. De woning van een bevriende overbuurvrouw staat al twee jaar te koop. De vraagprijs is gedaald tot eenderde van de aankoopprijs. Nog geen enkele geïnteresseerde heeft zich gemeld. Mijn ouders zitten tien jaar vast aan hun huis. Een andere woning kopen is niet eenvoudig. Rijke huizenbezitters, die genoeg geld en onroerend goed bezitten, houden de vraagprijs hoog. Wat op een goede oude dag leek, verandert langzamerhand in een nachtmerrie. Volgens mijn vader is er niets veranderd sinds hij in 1966 naar Nederland vertrok.

De jongeren die sinds twee weken de pleinen bezetten, hebben veel aandacht gegenereerd in de internationale pers. Hun ‘revolutie’ werd vergeleken met die op het Tahrirplein. Dit is op zijn zachtst geformuleerd overdreven. Dat het in beide gevallen jongeren betreft die zich miskend voelen, die zich van sociale media bedienen en die zich op pleinen verzamelen, is te mager om een vergelijking te trekken. Bovendien zijn er belangrijke verschillen.

Ten eerste is Spanje al een democratie. Er hoeft geen dictator te worden verdreven. Ten tweede zullen de Spaanse jongeren, in tegenstelling tot de jongeren in de Arabische wereld, het voor het eerst slechter krijgen dan hun ouders. Tot slot, niet geheel onbelangrijk: Spanje vergrijst snel. In 2050 zal meer dan 60 procent van de bevolking ouder zijn dan 65. In de Arabische wereld zijn naar verhouding veel meer jongeren.

Kent Spanje dan een kloof tussen de generaties? Nee. De protesten van de jongeren zijn niet gericht tegen de oudere generatie. Hun protest is vooral politiek en economisch van aard. Bovendien lijkt het voor de jongeren ongunstig om aan te sturen op een generatieconflict, gezien de problemen waarmee Spanje kampt.

Waarom protesteren de jongeren dan? Eenduidige eisen hebben ze niet. Wel keren sommige thema’s vaak terug. De jongeren willen economische hervormingen, met als doel bijvoorbeeld een goed functionerende arbeidsmarkt. Dat is noodzakelijk en terecht. De werkloosheidscijfers rijzen de pan uit. Van de jongeren heeft 43 procent geen baan. Onder de 25 jaar is zelfs een op de twee jongeren werkloos. Begin jaren tachtig bedroeg de jeugdwerkeloosheid in Nederland 20 procent. De prognose voor de nabije toekomst is weinig hoopgevend. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling voorspelde onlangs dat het werkloosheidspercentage pas in 2026 het niveau zal bereiken van voor de crisis.

Verder eisen de jongeren betaalbare woningen. Ook hebben ze politieke doelen – minder corruptie, meer democratie, meer erkenning. Tot slot hebben ze weinig begrip voor de situatie. Waarom worden er miljarden euro’s gepompt in de banken, die de crisis hebben veroorzaakt?

Het is niet vreemd dat de jongeren moeite hebben met het formuleren van een programma. De crisis heeft vele wonden geopend. Misschien dat er daarom geen echte leider is opgestaan. Toch zullen ze ergens moeten beginnen. Ze kunnen zich bijvoorbeeld afvragen wat het verband is tussen de crisis in Spanje, Portugal, en Griekenland en het gegeven dat deze landen pas in de jaren zeventig werden verlost van een dictatuur.

In een interview in de Volkskrant kreeg Francis Fukuyama de vraag voorgelegd of hij optimistisch is over de Arabische Lente. Daarop zegt hij: „Ik vind het fantastisch wat er in de Arabische wereld gebeurt. Maar ik heb mijn boek geschreven om te laten zien dat je instituties nodig hebt om een stabiele democratie te creëren. En dat het heel moeilijk is om die instituties te vormen. Daarom denk ik dat we teleurgesteld zullen worden door veel dingen die in de Arabische wereld zullen gebeuren.”

Die teleurstellingen zijn in Spanje aan de orde van de dag. Spanje is nog geen moderne democratie. Na de dood van dictator Franco, in 1975, is een eerste slag gemaakt. Deze is niet doorgezet. De protesterende jongeren hebben Franco niet meegemaakt. Dat ze wel met structuren uit die tijd zijn opgescheept, is onderdeel van hun frustratie.

Fukuyama schrijft in zijn nieuwe boek, De oorsprong van onze politiek, dat „het falen van de democratie niet ligt aan het concept, maar eerder aan de uitvoering. Mensen willen leven in een maatschappij bestuurd door een regering die zowel verantwoordelijk als effectief is, en die voor diensten zorgdraagt die de mensen nodig hebben. Weinig regeringen slagen erin om beiden te doen, omdat instellingen zwak of corrupt zijn, niet genoeg macht hebben of helemaal afwezig zijn.” Democratie, stelt Fukuyama, „kan pas slagen met een lang, kostbaar en ingewikkeld proces van institutionele opbouw.”

Spanje is op weg om een moderne democratie te worden en ondergaat de bijbehorende problemen. Het heeft te lang stilgestaan. De strijd tussen de twee grootste partijen, de PP en de PSOE, is een mooi voorbeeld. Veel jongeren stemmen blanco, omdat geen van beide partijen hen tevreden stelt. Het geld dat Spanje van de Europese Unie heeft ontvangen, heeft bijgedragen aan een economische ontwikkeling, maar liet bestaande structuren in stand. De economische ontwikkeling blijkt deels een farce te zijn. Spanje is terug bij af.

Bivakkeren op de pleinen haalt weinig uit. Daarvoor zijn de problemen te groot. Dat schijnen de jongeren nu ook zelf te beseffen. Als ze erkenning willen, zullen ze die zelf moeten verdienen. Ze zullen zich moeten organiseren en een programma moeten formuleren dat de politieke tegenstellingen overstijgt, dat bestaande structuren opnieuw vormgeeft, dat corruptie bestrijdt, dat solidariteit tussen de generaties waarborgt, dat de modernisering van de democratie voltooit en dat de toekomstige economie beter bestand maakt tegen schokken. Op korte termijn zal de werkloosheid moeten worden bestreden. Pas dan zal Spanje weer in beweging komen en veranderen. Het zal zeker niet eenvoudig zijn, maar wel noodzakelijk.

Ik heb mijn ouders geadviseerd om naar Madrid af te reizen en zich bij de jongeren te voegen. Ze moesten lachen. Volgens hen verandert er nooit wat in Spanje. Voor een bezoek aan een specialist in het ziekenhuis kun je gerust een dag uittrekken. Dat was vijftig jaar geleden ook al zo. Van de oudere generatie hoeven de jongeren geen initiatieven te verwachten. Als ze niet willen dat de Spaanse Lente in het niets oplost, zullen ze zelf actie moeten ondernemen – en natuurlijk Fukuyama moeten lezen.

Gerardo Soto y Koelemeijer is docent wiskunde op de Hogeschool Utrecht, lerarenopleider en auteur.