IHC Merwede wil pionieren in de diepzeemijnbouw

In de zeebodem liggen enorme, nog nauwelijks ontgonnen reserves aan metalen en mineralen. IHC Merwede wil die gaan delven. ‘De tijd is rijp.’

Mijnbouw op 1.400 tot 3.700 meter onder de zeespiegel. Het is er diep, donker en gevaarlijk. Maar erg aantrekkelijk voor durvers. „Een markt voor pioniers”, zegt Govert Hamers, president-directeur van scheepsbouwer IHC Merwede.

Eerder dit jaar kondigde het maritieme bedrijf uit Sliedrecht aan de krachten te bundelen met de Belgische baggeraar Deme voor de ontwikkeling van activiteiten in de diepzeemijnbouw. Metalen, mineralen en fosfaten winnen op de zeebodem met behulp van gesofisticeerde schepen, graafrobotten en zuigstangen, is het doel.

Het plan klinkt buitengewoon futuristisch. Experts geloven echter dat de mijnbouwbranche voor een revolutionaire doorbraak staat. „De tijd is rijp”, benadrukt Hamers. „We denken dat er op korte termijn een enorme markt kan ontstaan. We moeten alleen de technische drempel verleggen.”

Mijnen exploiteren op het land wordt steeds moeilijker: de ertslagen raken uitgeput, de grondstofprijzen stijgen en de toegang tot bepaalde kritische metalen is voor een aantal landen en bedrijven een zaak van strategisch belang geworden. Dat is de reden waarom marktanalisten een interessante toekomst zien in diepzeemijnbouw.

Ook geologen zijn optimistisch. Elke grondstof die op het land wordt gedolven, is in principe terug te vinden in een mariene omgeving. De aardbol is voor 71 procent met water bedekt – alleen al het oppervlak van de Stille Oceaan is groter dan dat van alle continenten samen. Dat betekent dat de mondiale zeeruimte meer dan twee derde van alle mondiale minerale reserves kan bevatten.

Die reserves zijn nog grotendeels onontgonnen. „Sommige mineralen liggen er bij wijze van spreken voor het oprapen”, zegt Hamers. „En in hogere concentraties dan die op het land.” Ze moeten enkel nog bovengehaald worden. Daar ligt de technologische uitdaging. IHC Merwede en Deme willen een totaaloplossing ontwikkelen waarbij een mijnbouwschip de delfstoffen onder water opgraaft, naar boven haalt en het ontgonnen materiaal volledig verwerkt alvorens het naar een haven op het vasteland te transporteren.

De voordelen zijn legio. Alles gebeurt op zee, het mijnbouwplatform is perfect verplaatsbaar en laat geen zichtbare sporen na zoals bij exploitatie op het land. En er hoeft geen dure transportinfrastructuur aangelegd te worden naar een haven.

Wat onder water gebeurt is echter bijzonder gecompliceerd: op afstand aangedreven rupsvoertuigen met roterende snijknoppen zijn via slangen verbonden met een centrale pompinstallatie, die het materiaal naar het productieschip aan de oppervlakte stuwt.

Die graafrobotten moeten onder hoge hydrostatische druk 24 uur per dag, weken aan een stuk kunnen werken, en dat in erg gebruiksonvriendelijke omstandigheden. Cees van Rhee, hoogleraar baggertechnologie aan de TU Delft is kritisch over de inzetbaarheid van bestaande technieken. „Op 2.000 meter diepte gaat het materiaal zich eerder als een soort klei gedragen”, zei hij onlangs in vakblad De Ingenieur. „Dat betekent een veel zwaardere belasting van snijgereedschap, grotere vermogens, een hoger energiegebruik en mogelijk meer onderhoud.”

Anderhalf jaar geleden kocht IHC Merwede het Zuid-Afrikaanse bedrijf Marine and Mineral Projects (MMP) dat technologie ontwikkelt voor diepzeemijnbouw en al jaren in opdracht van het concern De Beers diamanten delft op een diepte van 200 meter, circa 35 kilometer uit de kust. Dat gebeurt met een mijnbouwschip dat minstens 2,5 jaar op zee blijft. De graafrobot die vanaf het schip wordt aangestuurd weegt samen met al het bijhorend materieel zo’n 500 ton. MMP is nu de technologische expertise die het daarbij opdeed aan het aanpassen voor mijnbouw op grotere diepte – tot 3.000 meter onder de zeespiegel.

IHC Merwede en Deme zijn niet de enige pioniers op de markt. Nautilus, een op de beurs van Toronto en Londen genoteerd bedrijf dat deels in handen is van de Russische mijnbouwer Metalloinvest Group (21 procent) en het Zuid-Afrikaanse Anglo American (11 procent), kreeg onlangs een licentie voor de winning van koper en goud voor de kust van Papoea Nieuw-Guinea op een diepte van 1.600 meter.

Ook China Minmetals, een van de grootste metaalhandelaars wereldwijd, liet weten dat het onderzoek heeft gedaan naar de exploratie en exploitatie van activiteiten in de diepzeemijnbouw. De Chinese overheid diende in mei vorig jaar een aanvraag in bij de International Seabed Authority (ISA) – het bevoegde orgaan van de Verenigde Naties – voor de ontginning van delfstoffen in de Indische Oceaan.

In Nieuw Zeeland is het bedrijf Chatham Rock actief met een proefproject voor de winning van fosfaat op circa 400 meter diepte voor de kust van Papoea Nieuw-Guinea. Die grondstof is een belangrijk ingrediënt voor de kunstmestindustrie. Het concern liet daarvoor de afgelopen maanden haalbaarheidsstudies uitvoeren door grote spelers uit de baggerbranche, waaronder Boskalis, Deme en Jan De Nul. Ook IHC Merwede is hierbij betrokken en hoopt van dit initiatief zijn eerste pilotproject te maken.

De fors gestegen prijzen voor industriële grondstoffen als koper, nikkel en kobalt – dat bijvoorbeeld volop wordt gebruikt in mobiele telefoons, laptops en batterijen – maar ook de grote vraag naar edelmetalen als goud en zilver, doen industriële experts hopen dat diepzeemijnbouw een rendabel alternatief kan worden voor landmijnbouw. Of dit lukt, is onzeker.

Er zijn al eerder pogingen ondernomen om van diepzeemijnbouw een volwaardige industrietak te maken, maar die zijn telkens mislukt. In de jaren ’50 en ’60 was het offshore winnen van tin een belangrijke activiteit in Thailand en Indonesië. Een plotse krimp in de metaalprijzen in de jaren ‘70 zette echter een domper op die activiteiten.

Later ging de interesse van de mijnbouwbranche vooral uit naar mangaanknollen, die over de zeebodem verspreid liggen en rijke concentraties aan koper, kobalt en nikkel bevatten. Maar hier zorgden onduidelijke exploitatierechten voor moeilijkheden. Ruim 60 procent van de mondiale oceanen zijn ‘internationale wateren’, en daarin gelden geen exclusieve eigendomsrechten.

Het buiten de kust boren naar ruwe olie werd wel een succesvolle activiteit. Vandaag is een derde van de mondiale petroleumproductie afkomstig van oliebronnen onder de zeebodem. De technologie die door de offshore-industrie is ontwikkeld om op een diepte tot 4.300 meter naar olie te boren en het goedje naar boven te pompen, zal volgens specialisten ook andere takken in de diepzeemijnbouw stimuleren.

Het Nederlandse SBM Offshore, de grootste exploitant ter wereld van drijvende opslagtanks voor olie, is destijds als een spin-off uit scheepsbouwer IHC Merwede ontstaan. „Net zoals de offshore een miljardenbusiness is geworden, kan ook diepzeemijnbouw voor ons een nieuwe en lucratieve markt worden”, zegt Hamers.

De explosie vorig jaar van het boorplatform Deepwater Horizon, waarbij elf mensen om het leven kwamen en 790 miljoen liter olie in zee lekte, zette een domper op de industrie. Het was een regelrechte nachtmerrie voor milieugroeperingen en voedt het wantrouwen tegenover de winning van grondstoffen op een grote diepte onder de zeespiegel.

De aandacht van de mijnbouwindustrie voor uitgedoofde onderwaterbronnen van vulkanische oorsprong, waaromheen zich allerlei rijke aders van mineralen en metalen hebben gevormd, is groot. Sommige van die zwavelbronnen, die sedimentafzetting hebben in de vorm van een schoorsteen, herbergen een zeer kwetsbaar ecosysteem van kleine micro-organismen. Wetenschappers vragen zich af wat het effect van mijnbouw zal zijn hierop.

Ze vrezen ook dat het storten van verwerkingsafval in zee en het vrijkomen van stofwolken tijdens de graafwerken giftige elementen in het water kunnen doen belanden. „Die vragen zullen eerst beantwoord moeten worden”, zegt Hamers. „Maar ik heb er volop vertrouwen in dat het wel zal meevallen.”