Het Theater Instituut Nederland moet blijven

Het kostuum dat Ank van der Moer droeg als Martha in Wie is er bang voor Virginia Woolf? bevindt zich in de collectie van het Theater Instituut Nederland, net als de Nieuwjaarswensen waarmee de jaarlijkse opvoering van Gijsbregt van Aemstel besluit. Tienduizenden programma’s, krantenartikelen, foto’s, curiosa, maquettes, schilderijen en zelfs tekstboeken met aantekeningen van regisseur of acteur worden zorgvuldig bewaard, geordend en gekoesterd door het Theater Instituut Nederland (TIN), gevestigd aan de Amsterdamse Sarphatistraat.

Jaarlijks raadplegen vele duizenden belangstellenden het archief, van amateurs die een toneelstuk zoeken tot studenten en professionele liefhebbers die zich willen verdiepen in de historie van het Nederlandse theater.

Maar nu. Afgelopen week werd bekend dat het TIN vanaf 2013 geen subsidie meer krijgt, als de plannen van staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra doorgang vinden. Zelfs de status van het TIN als „onmisbaar cultureel erfgoed” kan dit verontrustende besluit niet keren. Het Theater Instituut Nederland is voor het theater wat het Letterkundig Museum voor de literatuur is en het Rijksmuseum voor onze nationale schilderkunst: de noodzakelijke schakel met het verleden.

Het begin op 17 mei 1924 was een triomf van het „beschavingsoffensief” dat de gegoede burgerij nastreefde. Leden van het Nederlandsch Toneelverbond uit Amsterdam kwamen bijeen om de oprichting van een Toneelmuseum te bepleiten, een „plaats waar de geschiedenis van het theater bewaard kon blijven”. Dat Toneelmuseum heeft nu een collectie die zich kan meten met de archieven van de Royal Shakespeare Company of de de Comédie Française.

Wat doet secretaris Zijlstra besluiten de 4 miljoen rijkssubsidie per jaar die het TIN ontvangt te schrappen? Moet hij een salomonsoordeel vellen, bijvoorbeeld tussen een gezelschap als Toneelgroep Amsterdam en dit instituut, om dan te besluiten dat een theatergezelschap levende kunsten brengt en dat het TIN slechts een erfenis beheert? In de wedstrijd tussen nieuw en oud verliest het laatste altijd. Het oude telt niet mee, het verleden heeft afgedaan.

Dit is een volkomen onjuiste gedachtengang. Ten eerste omdat het TIN met internationaal reizende exposities het Nederlandse theater een bestaansgrond geeft ver buiten de grenzen. En ten tweede omdat vernieuwing nu eenmaal niet kan bestaan zonder kennis van het verleden. In de loop van meer dan dertig jaar heb ik de schatkamers van het TIN geraadpleegd, en keer op keer kwam ik er dramaturgen, theatermakers, acteurs en regisseurs tegen die bekend staan als vooruitstrevend. Zij gebruiken het archief om zich te documenteren en te laten inspireren.

Niet alleen de vluchtigheid van theater vereist een veilige bewaarplaats van dat verleden. Toneel is een kunstgenre dat zichzelf telkens vernieuwt op het fundament van de historie. Wie het Theater Instituut met voortbestaan bedreigt, bedreigt óók de toekomstige ontwikkeling van het levende theater.