Het gevaar schuilt in iedereen

Zomaar een date betekende bijna de dood van de hoofd-persoon van Porta Romana. Angst dirigeerde al zijn leven en dat wordt er na dat onheil niet minder op. Het verleden zal hem ervan verlossen. Of niet?

Robbert Welagen: Porta Romana. Nijgh & Van Ditmar, 160 blz. € 16,50

Toen Hollands Diep een paar maanden geleden critici vroeg naar de Nederlandse schrijvers van de toekomst, kwam Robbert Welagen (1981) niet in de toptien voor. Dat hij over het hoofd werd gezien, legde de beperkingen van het onderzoekje bloot, maar spoorde tegelijkertijd volledig met het soort boeken dat Welagen schrijft: korte, sfeergestuurde romans over verlegen personages die je in het echte leven misschien ook wel over het hoofd zou zien. Geen boeken voor talkshow of twitter.

Ook geen boeken voor de Maand van het Spannende boek. Toch verscheen op de eerste dag van die maand, 1 juni, Welagens vierde roman. En als je Porta Romana leest ga je denken dat die verschijningsdatum misschien géén toeval is geweest. Welagen begint zijn boek als een thriller. De hoofdpersoon is Emilio Lastrucci, een Italiaan die in Zwitserland werkt voor een firma die handelt in koffie en chocola. Deze vijftiger, vrijgezel omdat het leven nu eenmaal zo is gelopen, ontmoet de mooie Astrid Müller, die hem doet denken aan een vrouw uit een film: ‘Op een bankje kusten zij elkaar. Het was lang geleden dat hij een vrouw had gekust. Het hele verschijnsel was hij vergeten, verliefd worden.’ Enkele dagen na de kus staat zij op zijn antwoordapparaat. ‘Hij belde terug en zei dat hij voor haar wilde koken, wat voor hem gelijk stond aan een liefdesverklaring.’

Maar met een paar tussenzinnetjes (‘Dat was zijn tweede fout’) heeft Welagen het onheil al aangekondigd. Astrid Müller lokt Emilio een afgelegen appartement binnen. Daar wordt hij vastgebonden aan een stoel en wordt zijn been met een knuppel verbrijzeld. Men wil dat hij een papier tekent, waarmee hij afstand doet van zijn spaargeld. Hij verliest het bewustzijn en wordt weer wakker als zijn belagers in een belendende kamer overleggen. In deze hopeloze situatie laat Welagen zjn held een zinnetje denken dat in zijn koele eenvoud haast humoristisch is: ‘Ik wil hier weg.’

Vervolgens bevrijdt Emilio zich op een wijze die in een spektakelfilm niet zou misstaan. Hij hinkt naar een raam en springt er met stoel en al uit. Twee verdiepingen lager komt hij op een balkon terecht en hij loopt zoveel hersenletsel op dat hij zich later in het ziekenhuis amper kan herinneren wat er is gebeurd, niet met Astrid Müller en de overvallers en eigenlijk ook niet in de halve eeuw leven die aan de fatale avond voorafging. Hij vertrekt naar zijn geboortestad Florence en later naar Rome, in de hoop daar iets van zijn verleden terug te vinden.

Je zou Porta Romana een schijnthriller kunnen noemen. Een boek waarin de held steeds bang is en ook een paar keer op de vlucht slaat, maar waarbij je nooit zeker weet of zijn angsten reëel zijn. Veel wijst op een trauma, zoals de prachtige openingsscène van het boek waarin Emilio, op weg naar Florence, een mooie vrouw tegenover zich ziet zitten. ‘Haar tasje was groot genoeg voor een pistool.’ Dat geldt voor vrijwel alle vrouwentassen, maar het jaagt Emilio grote schrik aan. Die neemt alleen maar toe als de vrouw in slaap valt. ‘Steunend op de armleuning stond hij op en ging hij naast haar zitten. Vanuit die positie kon hij achter de donkere glazen kijken. Haar ogen bleken gesloten te zijn. Ze sliep. Of ze deed alsof.’

Zo is er voor Emilio altijd wel wat te vrezen, een auto met Zwitsers kenteken, een vriendelijke vrouw van zevenentwintig, de roomservice. Want wat is gevaarlijker: de hotelmedewerker de kamer inlaten of zelf die gang opgaan en daar het eten uit het karretje vissen?

Het knappe van Welagen is dat hij de paranoia van Emilio zo feitelijk beschrijft dat je als lezer steeds meer rekening gaat houden met de mogelijkheid dat hij zich het gevaar niet inbeeldt, dat je bezig bent een vermomde thriller te lezen. En, in het verlengde daarvan, wat zou Emilio allemaal vergeten zijn? Hoe onschuldig was hij eigenlijk, hoe onschuldig is de ‘firma’ waarvoor hij werkt? Chocolade, inderdaad? Of toch ander spul?

Tegelijkertijd is Porta Romana wat je bij een vierde boek inmiddels ‘een echte Welagen’ kunt noemen: een boek over een man die ‘het tempo van zijn omgeving niet meer [kon] bijbenen’. Explicieter – en dringender – nog dan in Lipari (2006), Philippes middagen (2007) en Verre vrienden (2009) is de hoofdpersoon op zoek naar het verleden en opnieuw is er een belangrijke rol voor een oude villa. Dat levert hier en daar een overdosis herfstige sfeer op, zoals er soms een overbodig adjectiefje uit Welagens pen vloeit (‘een donkere, mysterieuze vrouw’). En de volledigheid waarmee de geheugenloze Emilio Florentijnse straatnamen in zich opneemt maakt je soms ook wat ongeduldig. Daartegenover staat dat hij in een paar woorden de stad kan neerzetten: ‘Er heerste een chaos in de stad, merkte Emilio, maar die chaos was kalm en soepel.’

Het gevaar van een sfeerschrijver als Welagen is dat er op een gegeven moment alleen nog maar sfeer is – en dat wordt saai. Wat dat betreft stemt Porta Romana hoopvol: hij heeft zich niet beperkt tot de binnenwereld van zijn geplaagde hoofdpersoon. De voortdurende paranoia van Emilio zorgt ervoor dat de roman óók een boek over angst wordt. Want in zijn zoektocht naar mensen die hem een stukje van zijn verleden kunnen teruggeven, moet hij niet alleen angsten overwinnen, maar deze manke man met een groot litteken op zijn voorhoofd jaagt ook anderen angst aan. Niet voor niets zegt een jonge Engelse vrouw aan het begin van haar afspraak dat ze weinig tijd heeft omdat ze zo nog een afspraakje heeft met een man.

Het grootste brok verleden wordt Emilio op miraculeus toevallige wijze in de schoot geworpen in het laatste deel van de roman. Tegen die tijd is hij ook zonder het te merken van zijn angst verlost, wat je als lezer van deze overigens vrij abrupt eindigende schijnthriller toch een beetje bezorgd achterlaat: was alle angst wel echt inbeelding?