Geen spuitje

De kater Daan lag in een stoel in de voorkamer te slapen. Het was in de namiddag, maar het zonlicht stroomde nog volop binnen, een baan van zinderende warmte die zijn linkerflank bestreek. Hij liet zich niet uit zijn gelukzaligheid rukken door de twee kinderen die luidruchtig om hem heen speelden.

Daan voldaan. Bondiger viel het niet samen te vatten. Hij lag erbij op de manier die de Amerikaanse schrijver Garrison Keillor tot zijn schitterende aforisme moet hebben geïnspireerd: „Katten zijn bedoeld om ons te leren dat niet alles in de natuur een functie heeft.” Het halve huis stond op z’n kop, er werd gehuild, gevallen, gevochten, gevloekt én gekookt, maar Daan zei in zijn eigen lichaamstaal: „Jongens, bekijk het maar, hou mij er buiten.”

Terwijl ik bewonderend naar het tafereel zat te kijken, kreeg ik steeds meer spijt van de drastische woorden die ik onlangs over Daan had uitgesproken: „Kan hij niet beter een spuitje krijgen?”

Daan was immers ernstig ziek. Een tumor in zijn keel bemoeilijkte hem in toenemende mate het slikken. Hij kon er nog mee leven, maar het zou niet lang meer duren. Daan was de kat van mijn jongste dochter en haar vriend. Zij waren voor een korte vakantie vertrokken, met achterlating van Daan en – niet helemaal te vergeten – hun twee kinderen Hidde (3) en Jens (1). Mijn vrouw was in hun huis getrokken, ik verleende op deze dag mijn gebrekkige bijstand.

In de dagen voor hun vertrek was het mijn dochter en haar vriend (mijn schoonvriend zou ik hem willen noemen, wordt het niet tijd dat we dat woord aan onze taal toevoegen?) duidelijk geworden dat Daan niet lang meer te leven had. De dierenarts was daar stellig genoeg over geweest, de foto’s van Daans keel lieten geen ruimte voor twijfel.

Gelukkig had Daan geen pijn, want kanker is een huichelaar.

Problemen.

Want wat te doen als zijn situatie plotseling toch ernstig zou verslechteren? Dan moesten de oppassers ‘de’ beslissing nemen. Ik hoorde het aan en stelde vervolgens mijn hardvochtige vraag over dat spuitje. Wat maakten die paar weken nog uit? Dood ging hij tóch. Als het om andermans dieren gaat, kan ik akelig rationeel worden. Er zat vermoedelijk ook enig eigenbelang achter, want ik vind het altijd een zware gang, met zo’n ten dode opgeschreven kat naar de dierenarts.

Voor dochter en schoonvriend was euthanasie geen reële optie geweest. Zolang Daan nog van het leven kon genieten, hadden ze geen haast. Je ging oude mensen toch ook niet doodspuiten als ze nog plezier hadden van hun krantje en hun borreltje? Ik knikte haastig, ook uit vrees dat ze over twintig jaar, als ik te veel hoestte en hijgde, tegen mij zouden zeggen: „Pa, wat denk je ervan?”

Daan snelde mij enthousiast tegemoet toen ik die dag mijn vrouw kwam bijstaan. Hij had er geen idee van dat hij iemand begroette die zijn dood had willen bespoedigen. Ik voelde me een beul die, met zijn slachtoffer op weg naar het schavot, was tegengehouden en teruggestuurd.

Met zijn rossige, magere lijf – zo was hij altijd geweest – kroop Daan luid spinnend op mijn schoot, terwijl hij al zijn kansen inschatte om op zijn erotische specialisme over te gaan: korte liefdesbeetjes in de hals. Het was de reden waarom ik altijd met de nodige voorzichtigheid met hem omging. Liefde zonder pijn heeft mijn voorkeur.

Ik had weer iets geleerd, besefte ik. Wie nog kan beminnen, hoeft niet dood.