Gapen van bewonde ring

De vorig jaar overleden Duitse kunstenaar Christoph Schlingensief was een provocateur en een genie. Het Holland Festival brengt hem een hommage. Waarom vallen er dan mensen in slaap bij zijn voorstellingen?

Toen Christoph Schlingensief nog leefde, nog net, weigerden sommige Duitse critici zijn voorstellingen te bespreken. Want als iemand van zijn eigen sterven een performance maakt – zoals Schlingensief in Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir, een van de grote successen van het Holland Festival 2009 – kun je dan nog wel mopperen over mise en scène of acteursprestaties? Wie wil er nu een beul zijn in de schouwburg?

Mea Culpa – de uiterst barokke revue over leven en spijt waarmee het Holland Festival gisteren opende – lijkt op Der Kirche. Maar de ergste gêne onder de critici is voorbij. Christoph Schlingensief is vorig jaar augustus op 49-jarige leeftijd overleden aan de longkanker die bij hem in 2008 was geconstateerd. De enigen die je nu nog kunt beledigen met kritiek zijn zijn getrouwe acteurs en medewerkers. Want die vormen, blijkt als je ze spreekt, toch een beetje een kerk – er is geen ander woord voor. Na een voorstelling van Mea Culpa in het Burgtheater in Wenen, in januari van dit jaar, zit ik in het theatercafé met dramaturg Karl Hegeman en Joachim Meyerhof. Na vijf minuten krijgen de twee, een schnitzel als souper verorberend, iets dromerigs in de ogen en barsten de anekdotes los. Hoe onvermoeibaar creatief en positief en aardig Christoph altijd was. En hoe vreselijk ziek en boos op zijn ziekte.

Natuurlijk: het leven gaat door – beiden hebben andere engagementen in het vooruitzicht. Maar het is een beetje alsof Schlingensief een vacuüm heeft achtergelaten, dat nooit meer gevuld kan worden. „Misschien zouden we Mea Culpa ieder jaar een keer moeten opvoeren”, peinst Hegeman. Om die gedachte vervolgens onmiddellijk weer los te laten: deze voorstelling is geen tekst, maar vooral de inspirerende invloed van de meester geweest. Over tien jaar is daar vermoedelijk weinig meer van over.

Nog sterker heerst die sfeer van heiligheid bij een ‘Publikumsgespräch’ vorige week na een voorstelling van Via Intolleranza II op het Berlijnse Theatertreffen – op 4, 5 en 6 juni op het Holland Festival te zien. De acteurs krijgen lichtjes in de ogen als ze herinneringen ophalen aan het werken met Schlingensief. Een van de amateuracteurs uit Burkina Fasso die het beeld van Via Intolleranza II bepalen, staat op en brengt een militair saluut aan de meester. Aino Laberenz, de vaste costumière van Schlingensief, die hij in 2009 op de valreep gehuwd heeft en die nu zijn nalatenschap beheert, ziet het glimlachend aan. De acteurs, de weduwe, de dramaturgen – het is alsof iedereen nog middenin het verhaal van Schlingensiefs lijden en sterven zit.

Ze zijn daarbij in goed gezelschap. Tegenover degenen die er tijdens de laatste jaren van de theatermaker liever het zwijgen toe deden, staan andere buitenstaanders die hem het toneelgenie van het moderne Duitsland achten. Auteur Elfriede Jelinek bijvoorbeeld, die Schlingensief vorig jaar „de grootste kunstenaar die ooit geleefd heeft” noemde. Het Holland Festival sluit zich, met de organisatie van de ‘hommage aan Christoph Schlingensief’ dit jaar kennelijk graag bij de eredienst aan.

Er is een tijd geweest dat Schlingensief nog niet aan het doodgaan was, en meer cineast was dan theatermaker. Ook daar besteedt het Holland Festival aandacht aan, met een filmretrospectief. Een van de leukste films is Das Deutsche Kettensägen Massaker uit 1990, vrij naar The Texas Chainsaw Massacre. Schlingensief had vroeg door dat al die aardige Oost-Duitsers – die bij de hereniging dachten dat ze met behoud van hun waardigheid door de rijke West-Duitsers in de nationale familie werden opgenomen – in werkelijkheid vreselijk gepiepeld zouden worden. In de film ontmoeten we een sympathiek Oost-Duits gezinnetje dat per Trabant voor het eerst de Bondsrepubliek verkent. Ze krijgen autopech en zoeken hulp bij een afgelegen fabriek. De rest laat zich raden.

Schlingensief was natuurlijk geen onbekende voordat hij in 2008 kanker kreeg en zich in zijn werk daarop helemaal richtte. Maar hij was niet meer dan een van vele interessante Duitse theatermakers sinds Frank Castorf hem in 1997 naar de Volksbühne in Berlijn haalde. Omstreden was hij altijd al. Voor opschudding zorgde hij bijvoorbeeld in 1997 door onder de slogan „Tötet Kohl” de vier miljoen werkelozen van Duitsland op te roepen allemaal tegelijk een duik te nemen in het meertje naast het buitenhuis van bondskanselier Helmut Kohl, opdat deze zou verdrinken. Er kwamen er slechts honderd.

Ook geruchtmakend – en zijn tijd vooruit – was een wekelijkse talkshow op de Berlijnse lokale televisie, Talk 2000, waarin geestelijk gehandicapten het hoogste woord voerden. In 2004 was Schlingensief al zó beroemd, dat hij op de Bayreuther Festspiele Parcival mocht regisseren.

Maar het lijdt geen twijfel dat hij zijn definitieve consecratie – bijvoorbeeld in het zojuist geopende Duitse paviljoen op de Biënnale van Venetië, dat aan Schlingensief gewijd is, ofschoon hij het plan het zelf in te richten niet meer heeft kunnen volvoeren – aan zijn lijden en sterven te danken heeft.

Hij was niet-roker, dus dat kan de oorzaak van zijn kanker niet geweest zijn. In de vele teksten die hij heeft nagelaten – Schlingensief was in alles veel: gevoelens, werk, ideeën, sentimentaliteit – legt hij een verband met zijn Parcival in Bayreuth. Toen zou de ziekte begonnen zijn, met zijn regie van dit verhaal over de held die aan zijn mogelijkheid van verlossing voorbij gaat. Het is wel een enigszins perverse verklaring – pervers in de zin van bewust niet-waar. Maar voor perversie was Schlingensief nooit bang: „ziekte is de ultimatieve perverse kunstvorm”, schreef hij.

Mea Culpa en Via Intolleranza II zijn op het eerste gezicht heel verschillende voorstellingen. De eerste is een overweldigende serie tableaus rond het thema ziekte en dood – morbiditeit tot grote kunst verheven. „Een readymade opera over de rug van...” begint de ondertitel, en dan volgen de namen van degenen wier werk Schlingensief plundert en die tezamen zo’n beetje een samenvatting van de Europese cultuurgeschiedenis vormen: Bach, Beuys, Goethe, Grieg, Jarman, Jelinek, Kálmán, Kierkegaard, Mahler, Nietzsche, Schoenberg, Schubert, Schumann, Tosh, Wagner, Zizek en anderen.

Via Intolleranza II heeft ogenschijnlijk een wat socialer thema. In zijn laatste jaren besloot Schlingensief tot de oprichting van een operatheater in Ouagadougou, de hoofdstad van het West-Afrikaanse Burkina Faso. De bouw daaraan gaat postuum door, nu onder leiding van de weduwe. Het initiatief was nadrukkelijk niet bedoeld als een vorm van ontwikkelingshulp. De Afrikanen zouden zelf moeten bepalen wat er in het theater gebeurt.

Via Intolleranza II draagt het karakter van een benefietvoorstelling om geld in te zamelen voor de bouw. In Ouagadougou hield Schlingensief audities waarop 400 mensen afkwamen. Samen met enkele van zijn vaste Duitse en Oostenrijkse acteurs voeren zij een wervelende en ontregelende show op, die een soort staalkaart vormt van stereotype, zo niet racistische opvattingen over Afrika. De overleden regisseur legt het, kortademig, aan het eind min of meer uit, op film: „Het is vreselijk, ik weet dat het verkeerde beelden zijn, maar ik ben eraan gehecht”.

Het ontregelende schuilt er onder meer in, dat de Afrikanen op het toneel duidelijk in volle overtuiging hun ding doen – wat heet hier eigenlijk verkeerd? En zo is, ondanks het verschil in thematiek, de uitwerking van beide spektakels eigenlijk hetzelfde: na een verbijsterend theaterbombardement zit je verslagen in je stoel, niet wetend wat te denken. Bewondering is eigenlijk de enige uitweg.

Ik moet iets bekennen: ik heb aan het begin van beide voorstellingen tegen de slaap moeten vechten, knikkebollend en dan weer opschrikkend, zoals dat gaat. Het is niet dat ik mij niet verheugd had op de avond of niet nieuwsgierig was, integendeel. Het is ook niet dat er niets te beleven valt op het toneel, want er gebeurt juist overweldigend veel, en het is ook heel luid. Ik kon het niet verklaren en ik schaamde me er een beetje voor.

Totdat ik Isabelle Tassembedo tegenkwam, een van de amateuracteurs in Via Intolleranza II. Ze is 57, heeft zeven kleinkinderen en gaf een vaste betrekking bij de spaarbank in Ouagadougou op om Schlingensief te volgen. „Ik dacht meteen, ‘die man begrijp ik’ toen ik auditie deed”, vertelt ze. En hij koos haar uit, hoewel ze eigenlijk meer voor de grap had meegedaan.

„Maar weet je nou wat zo gek is?”, zegt Isabelle. „Elke avond dat we spelen, val ik vlak voor de voorstelling in mijn kleedkamer in slaap. Sta ik daar in het begin een beetje versuft op het toneel. Bizar hè?” Ik denk dat ik de verklaring ken: in het licht van het genie heeft het individu verdedigingsmiddelen nodig. Slaap is daar één van. Zoals Parcival niet weet te handelen, wanneer hij de Graal in het zicht krijgt waar hij zijn hele leven al naar zoekt, zo veroordeelt Schlingensief ons tot een gapende bewondering.”

Via Intolleranza II, Westergasfabriek Zuiveringshal West, 4, 5, 6 juni. Filmprogramma Het ketelhuis, t/m 9 juni. Inl. hollandfestival.nl