Fela Kuti: de man en de mythe

Wie was Fela Kuti, Afrika’s revolutionaire muzikant die met zijn Afrobeat de wereld veroverde? David Hutcheon spreekt met Kuti’s zoons en ex-bandleden over de man die het Holland Festival eert met de musical Fela!

‘Fela was een fantastische vader. Als je met zijn excentrieke gedrag om kon gaan, als je daar overheen kon stappen, dan was hij een geweldige kerel. Maar zelfs veel van mijn broers en zussen konden dat niet.” In de lounge van een hotel in Dublin zit een spraakzame Seun Kuti. Hij lijkt op zijn vader, en wil graag aan iedereen uitleggen wat voor een aardige kerel dat was. Maar zo kent de wereld hem niet.

De legende wil dat Fela Anikulapo Kuti, de stamvader van de Afrobeat, wiens naam betekent ‘Hij die de dood in zijn buidel met zich mee draagt’ , een filosoof-krijger was – een mythische mengeling van Jean-Jacques Rousseau, de Spartaanse held Leonidas en Che Guevara – die iedere klap die dictators kunnen uitdelen kreeg en terugkwam voor meer; die in zijn eentje meer hash rookte dan alle rasta’s bij elkaar; wiens gelijktijdige huwelijk met 26 (of waren het 27?) vrouwen (zijn zangeressen) zijn uitzonderlijke seksuele honger alleen maar groter maakte; wiens concerten niet uren maar dagen duurden. Was hij werkelijk alleen maar een verkeerd begrepen huisvader?

Fela Kuti werd geboren in 1938 in de Nigeriaanse stad Abeokuta, zo’n 100 kilometer ten noorden van de toenmalige hoofdstad Lagos. Hij groeide op in een middenklasse familie: zijn vader, Daudu, was een Anglicaanse dominee en leraar, zijn moeder, Funmilayo, was een progressieve politica, en naar verluidt de eerste Nigeriaanse vrouw die een auto kon besturen. Volgens muzikanten die in de begintijd met Kuti speelden, speelde zij een voorname rol in Kuti’s muzikale ontwikkeling.

„Ze was een vooraanstaande vrouw in Nigeria, met een grote culturele invloed”, vertelt drummer Tony Allen, die in 1964 tot Fela’s Jazz Kwintet toetrad. „Ze nam geen blad voor de mond. Fela was net zo.” Saxofonist Lekan Animashaun, die in 1965 bij het kwintet kwam, stelt dat Funmilayo haar zoon Fela op het juiste muzikale pad zette: „Ze zei: ‘Als je wilt dat mensen naar je luisteren, moet je muziek maken die aanspreekt, met herkenbare, eenvoudige teksten’.”

Fela hing rond in drukbezochte clubs van Lagos, waar bands vooral highlife speelden, een muziekstijl met veel blazers, geïnspireerd op Cubaanse muziek en koloniale fanfarebands. Hij zong onder meer in de band van Victor Olaiya, herinnert Allen zich, die daar ook rondhing. Fela kwam vaak meezingen, maar „op een dag was hij verdwenen”, aldus Allen.

Net als zijn broers Koyu en Beko, en zus Dolupe, werd Fela door zijn ouders naar Groot-Brittannië gestuurd om geneeskunde te studeren. Maar hij had andere plannen. Hij schreef zich in augustus 1958 in aan het Trinity College of Music in Londen. ’s Nachts leerde hij trompet spelen in moderne jazzbands in Soho, waar in de vroege jaren zestig veel allochtone jazzmuzikanten optraden. Hij raakte bevriend met Joe Harriott, een Jamaicaanse top altsaxofonist, en leerde van hem sax spelen.

Kuti keerde in 1963 terug naar een heel ander Afrika: in de vijf jaar dat hij weg was geweest, waren meer dan twintig koloniën, waaronder Nigeria, zelfstandig geworden. Hij stichtte een nieuwe band, Koola Lobitos, en aangeraakt door het optimisme over de toekomst van zijn land, nam hij platen op met nummers als Nigerian Independence en Viva Nigeria.

Kuti en zijn band speelden destijds hun eigen variant van highlife muziek. Maar het Afrikaanse publiek raakte in de ban van Amerikaanse soulmuziek. De eerste Afrikaanse muzikant die succesvol die stijl verwerkte was Geraldo Pino uit Sierra Leone.

In het boek Fela: This Bitch of A Life van Carlos Moore, vertelt Kuti hoezeer hij onder de indruk was van Pino toen hij hem zag optreden in 1966: „Wat mij verontruste was dat hij weer in Nigeria zou komen optreden. Ik had gezien hoe die motherfucker bij zijn optreden in Lagos iedereen in zijn zak had… en ik kon niets doen.” Fela, die als getrouwd man inmiddels een gezin moest onderhouden, zag zijn broodwinning in gevaar komen. Wat voor Amerikaanse magie Pino ook gebruikte, Kuti wilde dat ook. Dus toen zich de gelegenheid voordeed om op tournee door Amerika te gaan, aarzelde hij niet.

De reis was een financiële ramp, maar de strijd van de zwarte Amerikanen voor burgerrechten waarvan hij in de VS getuige was, maakte iets wakker in Kuti. Hij herdoopte zijn band, die speelde in een club op Sunset Boulevard, Los Angeles, eerst in Nigeria 70 en daarna in Africa 70. Zijn interesse voor het culturele verleden van zijn land en continent groeide, mede onder invloed van vrienden die bij de Black Panther-beweging zaten, zoals Sandra Isidore. De ironie dat een Nigeriaan naar de nieuwe wereld moest komen om op de hoogte gebracht te worden van de geschiedenis van zijn eigen werelddeel Afrika, maakte diepe indruk op Kuti.

„In die negen maanden dat we er waren, kregen Fela en sommigen van ons dingen te horen die ons in Afrika nooit verteld waren”, zegt Animashaun. „Dan heb ik het over geschiedenisboeken die niet te krijgen waren in Nigeria. Toen we terugkwamen van die tournee, zei Fela dat hij niet een groot man kon zijn in een land waarvan het volk in armoede leefde.”

Kuti’s beslissing om zijn muziek te ‘Afrikaniseren’ door Afrikaanse ritmes en vraag-en-antwoord zang te introduceren – Afrobeat werd die stijl genoemd – betekende een grotere invloed in de band voor drummer Allen, die veel wist van zulke traditionele ritmes. „In Amerika werd ons geadviseerd om de muziek simpel te houden, als we geld wilden verdienen. Op het moment dat we simpele muziek gingen maken, met een goede groove, waarvan je in een trance kon raken, kregen we fans. Dat was het moment dat ons publiek explosief groeide.”

De bandleden van Africa 70 verlieten Amerika voordat de vreemdelingenpolitie hen lastig ging vallen over verlopen verblijfsvergunningen en niet-bestaande werkvergunningen. „We waren blij dat we naar huis konden”, vertelt Animashaun. „In Amerika zagen we grote verschillen tussen zwarte en blanke mensen; de zwarte mensen hadden amper rechten, ze werden onderdrukt. Vanaf dat moment begonnen de veranderingen. Fela werd revolutionair, in zijn muziek en liedteksten.”

In de jaren die volgden bracht Kuti singles en albums uit met muziek waarin verschillende genres gecombineerd werden, zoals liedjes over seks (Na Poi, Lady), het pan-Afrikanisme dat hij in de VS had opgepikt (My Lady Frustration) en sociale kritiek (Monday Morning In Lagos, Gentleman). Fela was een ster geworden in Lagos, en de zeven uur durende shows van zijn band Africa 70 in zijn nachtclub The Shrine waren de populairste in het land. Naarmate zijn reputatie groeiden, werkte hij samen met Ginger Baker (Stratavarious) en Paul McCartney. Hij was niet geliefd bij de Nigeriaanse elite en militaire machthebbers, vanwege zijn kritiek en vanwege zijn populariteit bij de armere Nigerianen. Maar dat hij staatsvijand nummer 1 zou worden, leek nog onwaarschijnlijk.

Dat veranderde allemaal in 1974. In april werd de woongemeenschap van de band in Surulere, toen bekend onder de naam Fela’s huis of de Africa 70 Organisation, doorzocht op verdenking van aanwezigheid van drugs. „Ik had niets te vrezen,” vertelde Fela aan Carlos Moore, „Ik dacht er niet aan dat ze iets tegen me hadden. Ik predikte de revolutie voor Afrika, maar dat ze me te grazen wilden nemen, dat wist ik niet, man.” Vijftig agenten arriveerden, vonden marihuana, en namen alle mannen mee naar het Nigeriaanse politiebureau Alagbon Close. Kuti zat meer dan een week in de cel, voordat hij weer thuis was. Prompt werd zijn woongemeenschap weer doorzocht. Deze keer moest hij in de cel zitten tot hij op de wc materiaal kon produceren dat geanalyseerd kon worden. Uit die analyse bleek dat hij geen drugs had gebruikt. Toen hij opnieuw thuis was, liet hij meteen een hoog hek van geëlektrificeerd prikkeldraad om zijn woongemeenschap bouwen, want hij verwachtte meer problemen. Hij schreef ook een satirisch nummer Expensive Shit, de eerste in een reeks songs over zijn problemen met de autoriteiten die hem klein probeerden te krijgen. De spanning nam toe met wat bekend werd als de Kalakuta Show. Het begon in november, toen er een man langs kwam, op zoek naar zijn zus. „Het begon als een grap”, vertelt saxofoonspeler Adedimeji ‘Showboy’ Fagbemi. „Die man kwam voorbij en zag iemand die er uitzag als zijn zusje, die al twee maanden vermist was. Hij kwam de compound in, ontdekte dat zij het was, en begon haar te slaan.”

Het was een regel dat in Fela’s huis vrouwen niet geslagen werden. De man werd aangevallen en het terrein afgegooid. De moeder van het meisje kwam de volgende dag langs, maar toen haar dochter weigerde mee te gaan, zei Kuti dat hij er verder niets aan kon doen: de poort van zijn huis stond open voor iedereen. „De moeder vertrok, en wij dachten: dat is alles”, vertelt Showboy. Niemand wist dat de vader van het meisje de commissaris van politie was. „Op vrijdagavond gingen we naar de club om op te treden. Tegen de tijd dat we klaar waren op zaterdagochtend, had de politie ons terrein omsingeld. Ze stopten ons niet, en arresteerden niemand. Ze wachtten op versterking. Om één uur ’s nachts hoorden we sirenes, en voor we het wisten waren 500 agenten met tangen en hamers en wapens bezig ons hek kapot te maken. Ze knipten het prikkeldraad door en schoten zo’n 300 traangaspatronen af, en vielen aan. Ik stond naast Fela naar ze te kijken. Ze namen ons allemaal mee naar Alagbon Close en stopten ons in de cel voor tuig en straatvechters, de Kalakuta cel.” „Ze gooiden traangas en sloegen ons verrot,” vertelde Kuti aan Moore, „Ik was gewond en bloedde hevig. Ik kon niet eens meer staan of lopen.”

„Fela was geslagen”, vervolgt Showboy, „Hij was gewond aan zijn hoofd, zijn arm was gebroken. Zijn moeder kwam de politie achterna en zei dat hij naar een ziekenhuis moest. Ze kreeg hem vrij op borgtocht. Wij bleven twee weken in de cel. Toen we thuiskwamen had Fela ons terrein herdoopt in Kalakuta Republic.”

De eerste helft van 1975 gingen de aanvallen door; Fela’s mensen werden regelmatig opgepakt. De bandleider leek te groeien door die aanvallen, transformeerde zichzelf in een mythische Kuti, die niet boog voor onderdrukking, zijn vijanden bespotte, en genoot van zijn bekendheid en status. De haat en tegenwerking van het Nigeriaanse establishment maakte hem creatiever en beroemder dan ooit in de periode tussen 1974 en 1976. Na de elpee Expensive Shit volgden de albums Alagbon Close, Everything Scatter en Kalakuta Show met de hoes met daarop een foto van de kapotgeslagen Kuti. En eind 1976 verscheen zijn dertiende plaat in twee jaar tijd, en zijn succesvolste tot dan, Zombie. In januari 1977 werd in Nigeria het festival voor Afrikaanse cultuur Festac gehouden, en Fela Kuti uitte kritiek op de corruptie in zijn land. In Kuti’s nachtclub The Shrine was het drukker dan ooit, met sterren als Stevie Wonder, Sun Ra en Archie Shepp, die langskwamen om te spelen met Fela, die zichzelf inmiddels had uitgeroepen tot ‘Black President’. Dat was de militaire machthebbers blijkbaar te veel. Op 18 februari vielen meer dan 1.000 soldaten Kalakuta Republic aan. In This Bitch Of A Life spreekt Moore met een aantal van Kuti’s vrouwen over hun herinneringen daaraan. Beko kon zich na de aanval alleen nog maar in een rolstoel voortbewegen, en Kuti’s moeder Funmilayo, toen 78, werd uit een raam gegooid en zou later overlijden aan haar verwondingen. Fela overleefde de aanval alleen omdat een legerofficier zijn ondergeschikten beval te stoppen met slaan. De woongemeenschap, inclusief ziekenhuis en platenstudio, werd tot de grond toe afgebrand. Een regeringsonderzoek concludeerde twee maanden later dat Kalakuta Republic vernield was door ‘een onbekende soldaat’.

Na de aanval raakte Kuti in financiële problemen. Zijn volgelingen en bandleden hadden geen huis, de band kon nergens meer optreden, er waren geen instrumenten meer en geen opnamestudio. Zijn vrouwen raakten getraumatiseerd en werden als hoeren behandeld, en Kuti zelf was naar Ghana gevlucht. Tijdens een tournee in Duitsland in 1978 verlieten veel van zijn bandleden Africa 70. Ook Allen stapte op. „Hij behandelde me als een kind en mijn geduld was op”, zegt de drummer. Kuti’s beste jaren waren voorbij.

In de tien jaar die volgden groeide Kuti’s beroemdheid nog, maar dat succes had zijn prijs. Afrobeat werd populair, maar het publiek was niet altijd tevreden met wat Kuti liet horen. De platen waren goed, zijn shows, van zijn nieuwe band Egypt 80, onder leiding van Animashaun, waren soms betoverend (Glastonbury 1984), maar werden soms ook ronduit slecht ontvangen. Ook al omdat Kuti weigerde bekende nummers te spelen.

Dan was er ook Kuti’s polygamie en de beschuldigingen van vrouwonvriendelijkheid. Seun, zoon van een van de vrouwen die hij in 1978 trouwde, wijt die kritiek aan westerse opvattingen. „In Kalakuta waren de vrouwen na Fela de belangrijkste, machtigste mensen in huis. Hij achtte ze zeer hoog, in politieke zin. Kijk nu eens naar Bill Clinton: hij was getrouwd en moest de Oval Office in sluipen om gepijpt te worden. Als Clinton een Afrikaan was geweest, had hij gewoon thuis gepijpt kunnen worden, en daarna kunnen ontspannen met zijn kinderen, zijn vrouw en tweede vrouw.”

Het militaire regime van Nigeria bleef Kuti achtervolgen, en hij was de eerste helft van de jaren tachtig voortdurend in rechtszaken verwikkeld. In 1984 tijdens een tournee in Amerika werd zijn oudste zoon Femi beroemd, omdat hij in moest vallen voor zijn vader, die in de gevangenis zat wegens een valse beschuldiging van valutasmokkel. Fela Kuti had de sterk op Egypte gerichte Afrikaanse spiritualiteit ontdekt, en wat hij daarover te berde bracht ging zelfs zijn grootste westerse fans vaak te ver. Dat aids, de nieuwe ziekte die ook in Afrika veel slachtoffers maakte, gevaarlijk was, vond Fela Kuti bijvoorbeeld door het Westen verzonnen, wetenschappelijke onzin. Kuti’s overlijden in augustus 1997, aan de gevolgen van aids, bracht meer dan een miljoen Nigerianen op de been in de straten van Lagos. „Mijn vader”, zegt Femi Kuti, op een manier die geen tegenspraak duldt, „was cool. Hij was hip. Hij stond voor wat hij zei en daagde de overheid uit. Mensen die zeiden dat ze zijn aanhangers waren, gingen ervandoor toen er problemen kwamen. Hij vluchtte nooit, hij was de enige die bleef staan.”

© David Hutcheon/Mojo/IFA