Column

Duyselig van geluk

Even een jeugdanekdote. We gaan meer dan veertig jaar terug. Een van de hoogtepunten in het zich toen ook al dood vervelende Goois Natuurreservaat was het jaarlijkse tennistoernooi op ’t Melkhuisje. In die tijd sliepen de deelnemers niet in hotels, maar nog bij Brenninkmeijerachtige families thuis. Het Melkhuisje lag niet in een Vogelaarwijk.

Dubbele namendames sloegen dan ’s ochtends vroeg op de privétennisbaan in hun lommerrijke tuinen een balletje met Rod Laver of Tom Okker en dachten dat zij dat ook leuk vonden.

Voor ons was het tennistoernooi onbetaalbaar. Dus moesten we glippen. Hoe? Simpel: je zorgde dat je ’s morgens vroeg – als de auto’s van de televisie arriveerden – bij de poort stond en hielp de technici met het sjouwen van de kabels. Eenmaal binnen liet je die vallen en had je verder een leuke dag.

De eerste keer was dit een sensationeel gevoel, maar bij de derde finale zat ik me ouderwets balorig te vervelen. Ik was een gezonde puber en kwam meer voor het glippen dan voor het tennis.

Zittend op de eretribune zag ik aan de overkant de toen in Nederland wereldberoemde Willem Duys. Hij gaf op gedragen toon commentaar. Hij legde uit dat een volley een bal was die de speler in een keer uit de lucht plukte. Dus die bal had niet gestuiterd. Ook de baseline moest nog aan het volk verklaard.

Ik vroeg aan mijn vrienden wat ik kreeg als ik binnen een half uur aan de overkant naast Duys zou zitten! De beloning zou iets met gratis bier zijn. Bier waar we allemaal nog te klein voor waren.

Al gauw stond ik bij de deur van het Melkhuisje te overleggen met iemand van de bewaking. Dat was toen geen gorilla met een V op zijn revers, maar een lieve vrijwilliger. Een buurtvader met een hockeyhoofd.

Ik legde uit dat ik de zoon van meneer Duys was en dat ik door mijn moeder gestuurd was om hem iets te zeggen. Ik mocht door. Zoiets kan iemand niet verzinnen. Eenmaal in het huisje was de missie nog niet geslaagd. Ook voor de deur van het balkonnetje waarop Duys zat stond controle.

Een andere raskakker. Met hem ging ik gewoon slijmpraten. Dat alles vlekkeloos verliep, dat het een internationaal toptoernooi was, iets waar Hilversum trots op mocht zijn en meer van dat soort kulcomplimentjes.

Ik haalde een drankje voor de man, wisselde nog wat details en ja hoor: hij moest naar het toilet. Of ik even wilde opletten. Natuurlijk.

Toen de man weg was schoot ik het balkon op. Ik knikte naar Duys, die niet onder de indruk was. Hij knikte vriendelijk terug. Hij had wel andere dingen aan zijn hoofd. Onder andere een gigantische koptelefoon. Terwijl Willem zijn volzinnen op het Nederlandse volk losliet zat ik op een stoeltje naast hem voorzichtig te zwaaien naar mijn vrienden.

Toen de controlevader terugkwam van het toilet wist hij niet dat ik aan de andere kant van die deur naast Willem Duys zat. Voor mij was dit als vijftienjarige sensationeel. Hoger kon ik in dit leven niet komen. Zondagmiddag, finale Melkhuisje en dan naast de grote Willem Duys op het balkon! Zonder betaald te hebben! Dat ook nog. Duys sloot na de prijsuitreiking af met een brede epiloog en vroeg toen bij wie ik eigenlijk hoorde.

„Bij niemand”, stamelde ik en legde hem stotterend uit hoe het zat. Weddenschapje. Jeugdige overmoed! Meer niet.

Nou zal meneer Duys wel heel kwaad worden, dacht ik en was klaar voor een sprintje. Het tegendeel was waar. Hij lachte, gaf me een hand, sprak de vrolijke woorden: „Goed gedaan!” en vroeg wat ik wilde drinken.

Het werd een flesje. Een flesje Joy. Joy Sinas. En aan dat gelukzalige flesje moest ik deze week toch weer even denken. Met een hele grote glimlach.