De wonderfilms van Martin Scorsese

Vreemd genoeg is de Blu-rayversie in Nederland nog steeds niet verschenen, maar de ware liefhebber heeft deze natuurlijk al op 6 april vanuit Amerika besteld en de ogen al laten strelen door een van de beste films ooit gemaakt, nu gerestaureerd en wel in de volle glorie van zijn kleur en gedetailleerdheid. Taxi Driver (1976), geschreven door Paul Schrader, geregisseerd door Martin Scorsese en gespeeld door Robert de Niro, blijft verbazen.

Bijna tegelijk kwam Mean Streets (1973) uit, bij het Franse Carlotta Films, en deze heeft als bonus de documentaire Italianamerican (1974), die Martin Scorsese maakte over zijn ouders en de speciale saus die zijn moeder maakte. Hij geeft zelfs het recept bij de aftiteling. Dit is dezelfde saus die voorkomt in Goodfellas (1990) (You gotta have pork because that’s the flavor! Don’t put too many onions in the sauce!) en Casino (1995).

Het is trouwens een andere saus dan die in The Godfather I gemaakt wordt: verse tomaten, veel blikken gepelde tomaten in tomatensaus, worstjes, water, wijn en suiker.

Er zijn meer terugkerende elementen in de films van Scorsese en de meest opvallende is de metafoor van de hel. Het meest aansprekende en voor zich sprekende is wel het begin en titelsequentie van Casino. In Raging Bull (1980) gebruikte hij vlammen onder de camera, om het effect te geven van een infernale mirage; in Goodfellas zien we de jonge Henry Hill, nog geen volgroeide gangster, in een freeze frame als een silhouet tegen de vuurzee die hij heeft veroorzaakt door een paar auto’s in brand te steken. De glitter van de glamourwereld blijkt de vonk van de onderwereld. Mean Streets begint met een voice-over die over de vuurpijnen van de hel begint: de stem is van Scorsese, terwijl we Harvey Keitel zien.

Het lijkt erop alsof Scorsese, de gemankeerde priester, zijn angst voor de hel aan het bezweren is door hem alvast in kaart te brengen om straks aldaar niet te verdwalen.

De kunstenaar staat altijd aan de kant van de duivel of omgekeerd, omdat de duivel, anders dan de engelen, die slechts boodschappers zijn, creatief is. Het is opvallend dat Robert de Niro zijn rol als Mefistofeles in de film Angel Heart (1987) van Alan Parker, tenminste wat uiterlijk betreft, baseerde op Scorsese: de verzorgde kleding, de kieskeurige bewegingen van vingers – en wie weet nog meer. Hij verorbert de ziel van zijn tegenspeler Mickey Rourke in de vorm van een ei: maar die tegenspeler blijkt niet meer dan een marionet in Mefistofeles’ lange, verzorgde nagels.

In Taxi Driver wordt er nauwelijks gegeten. Bij zijn eerste afspraak met Betsy (Cybill Shepherd) neemt hij appelgebak met gesmolten kaas; zijn ontbijt bestaat uit wittebrood met melk, suiker en whisky eroverheen (het is dit detail dat Bernard Hermann, vaste componist van Alfred Hitchcock, deed besluiten muziek voor de film te schrijven – het werd zijn laatste score). Wel wordt er uit flessen in papieren zakjes gedronken en worden er veel pillen geslikt – vooral uppers.

Op het nachtkastje van Travis Bickle, de taxichauffeur, staan heel wat medicijnen. Hij lijdt aan hoofdpijnen (de bekende shot van de bruisende Alka-Seltzer), denkt dat hij maagzweren heeft, die later maagkanker worden: hij is een hypochonder.

Wat eten betreft: zijn cheeseburger raakt hij niet aan als hij met zijn collega’s een afspraak in hun ontmoetingsplaats heeft. Alsof zijn eetlust bedorven wordt door de pimps over wie de camera, in slowmotion en kikvorsperspectief, verglijdt. Zijn afkeer van deze mensen is duidelijk te zien, maar anders dan de makers denk ik niet dat dit met racisme te maken heeft. Zij vertegenwoordigden voor hem het ergste van wat een helse stad te bieden heeft: mannen die onschuldige meisjes gevangen houden en dat in een stad die, hoewel een open goot, een grote gevangenis is. Hij begint te lijden aan reddersfantasieën als hij het twaalfjarige hoertje Alice (Jodie Foster) ontmoet en de ironie in een film van een stelletje film-buffs is dat hij een legerjas draagt van de King Kong Company (gelijk te zien aan het begin als hij gaat solliciteren naar een baan als taxichauffeur). Hij ziet in haar blondgekrulde onschuld een labyrint van duisternis waar mannen als demonen uit het duister opduiken en er weer in verdwijnen.

Alles speelt zich af tussen de eerste extreme close-up van De Niro in de achteruitkijkspiegel en dezelfde shot op het eind: de suggestie dat we hier met een waan van hem te maken hebben is sterk aanwezig.

Een ander terugkerend element is de schikking van de verlepte en teruggestuurde bloemen aan Betsy in Travis’ huis vol craquelé, nadat deze hem de bons heeft gegeven. Wie neemt dan ook een vrouw op de eerste afspraak naar een Zweedse porno? Er is in De Niro’s reactie iets van oprechte onnozelheid (I don’t know much about movies), bijna vertederende dommigheid. Of was het zijn bedoeling haar zijn wereld binnen te laten treden? Volgens de calvinistische Schrader wil hij haar bezoedelen. Ook al schrijft hij: she appeared like an angel... they can not touch her. En in de eerste beelden die we van haar zien, zien we Scorsese in een cameo zijn schepsel nakijken.

Vergelijk deze bloemschikkingen met de vele boeketten die The Age of Innocence (1993) bevolken; ondanks de verliefdheid op kleuren en bijna caleidoscopische sensualiteit van deze film, noemde Scorsese hem zijn meest wrede film; de kleuren tonen hartstocht, de personages mogen dat volgens de mores niet doen. Wat beide films verbindt, ondanks de grote verschillen in aanpak is – behalve dan de afgrondelijke pijn van onbeantwoorde en verwrongen liefde – dat zij een vorm van antropologie zijn.

Het is goed om te weten dat Travis afstamt van het Oud-Franse travis, ‘oversteken’, en een beroepsnaam voor poortwachters en tolvergaarders bij bruggen en wadden. Bickle is een verbastering van bicker, vechten zonder een vastgesteld strijd of slagveld, vooral gebruikt voor boogschutters en slingeraars (zijn taxi die wordt gestenigd door zwarte jongens; zijn pistolen).