De Portugese kiezer wordt verzocht zijn offer voor de euro te brengen

De Portugezen moeten deze zondag kiezen welke partijen de hervormingen uitvoeren die IMF en EU hen hebben opgelegd. Een stevige stabiele regering lijkt ver weg.

Het is lang geleden dat bij een stembusgang in Portugal zoveel op het spel stond als bij de verkiezingen zondag voor een nieuw parlement. Dit voorjaar raakte Portugal als gevolg van de eurocrisis aan de financiële afgrond, viel de regering en moest het als derde land in de eurozone noodleningen aanvragen.

Het is nu aan de nieuwe regering het pakket maatregelen uit te voeren dat het IMF en de EU in ruil voor de noodleningen hebben opgelegd. Welke partijen dit ‘mogen’ gaan doen – en, vooral, of ze zullen slagen – zal bepalend zijn voor de toekomst van Portugal zelf. En voor de stabiliteit van de muntunie als geheel.

Minder dan twee jaar geleden hield Portugal ook parlementsverkiezingen. De huidige socialistische premier José Sócrates, die regeert sinds 2005, werd daarbij herkozen, maar verloor wel zijn absolute meerderheid. Toen zijn land vorig jaar werd meegesleurd in de Europese schuldencrisis, brak dit hem op. Zijn wankele minderheidsregering strompelde van de ene naar de andere politieke crisis. Op de internationale markten groeide de onrust over zijn zwalkende crisisaanpak.

Sócrates’ regering sneuvelde uiteindelijk in maart, toen de voltallige oppositie het zoveelste bezuinigingspakket verwierp. Twee weken later had hij na maanden van verzet geen andere keuze meer dan noodhulp aan te vragen. Begin mei bereikte Lissabon met de trojka van het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank een akkoord over de voorwaarden voor hulp. In een memorandum van 34 kantjes is vastgelegd welke begrotingsmaatregelen en hervormingen Portugal moet doorvoeren om tot 2013 in totaal 78 miljard euro overgemaakt krijgen.

Als Portugal niet strikt volgens schema hervormt, kunnen IMF en EU de geldkraan dichtdraaien – zeker met het oplaaiende nationalistisch sentiment in Noord-Europa dat zuidelijke ‘probleemlanden’ streng moeten worden bejegend. Hoe groot de opoverofferingen die worden gevraagd van Portugezen ook zijn, de nieuwe Portugese regering kan in Europa op weinig coulance rekenen.

Tegelijkertijd zal binnenlands het maatschappelijk verzet tegen de maatregelen groeien. Portugal is een relatief links land, waarin de grondwet die werd opgesteld na de Anjerrevolutie nog deels leest als een klassiek communistisch manifest. Een groot deel van het memorandum, opgesteld in een luttele drie weken, gaat hier haaks tegenin. Het land zal bovendien verder in recessie wegzakken, wat de lagere en middelste inkomensklassen het hardst raakt.

Elke nieuwe regering krijgt het dus zeer lastig. Of de stembusgang zondag een stevige coalitie oplevert, is echter hoogst onzeker.

Volgens de laatste peilingen zal de belangrijkste oppositiepartij, de centrumrechtse PSD, nipt de grootste worden. De vraag wordt of ze genoeg stemmen haalt om samen met de kleine rechtse CDS een coalitie te vormen. Zelfs als ze hier in slaagt, menen veel waarnemers dat een centrumcoalitie gevormd zou moeten worden, inclusief de socialisten. Alle drie de partijen hebben ook hun handtekening onder het pact met het trojka gezet.

Dat de kans op een brede coalitie toch klein wordt geacht, heeft te maken met botsende karakters en politiek kortetermijndenken. „We moeten sowieso aan die afspraken voldoen. De opgave is het vertrouwen van de bevolking te behouden, een gevoel op te roepen dat een gemeenschappelijke inspanning nodig is om deze crisis te boven te komen”, zegt Luís Nazaré, econoom en een belangrijke adviseur van Sócrates. „Maar daarvoor moet men elkaar vertrouwen en het verleden en oude rivaliteiten vergeten.”

Vooral Sócrates is een polariserende figuur. Veel burgers noemen hem een leugenaar en zijn boos over de crisis. De rechtse partijen sloten de afgelopen maanden uit met de socialisten samen te werken zolang Sócrates partijleider is. Hij zal echter alleen opstappen wanneer zijn nederlaag zondag flink is. Volgens vertrouwelingen moet het minstens 5 procentpunt verschil met de PSD zijn.

Vraag is of het gat zo groot wordt. Sócrates voerde een foutloze en gedisciplineerde campagne, terwijl Passos en zijn PSD enkele misstappen begingen. Het belangrijkste punt van de socialisten luidde dat de verzorgingsstaat bij rechts niet in veilige handen is. Een boodschap die aansloeg: ondanks de impopulariteit van de premier trekken de socialisten ruim 30 procent van de stemmen.

Zelfs als Sócrates uiteindelijk toch opstapt, krijgt rechts het lastig de socialisten mee te vragen. Na zondag zal snel geregeerd moeten gaan worden om aan alle eisen te voldoen, terwijl de PS na een vertrek van Sócrates eerst een leiderschapsstrijd moet uitvechten. Bovendien zullen vooral linkse PS’ers een periode in de oppositie prefereren, om niet medeplichtig te lijken aan de hervormingen.

Aan de andere kant zou meeregeren (of gedogen) de PS in staat stellen interessante bestuursposten te behouden of winnen. PS-kopstukken opperen al dat een brede coalitie in het landsbelang is. Kende Portugal na de voorlaatste IMF-interventie begin jaren ’80 niet ook al een regering van PS en PSD?

Destijds was er echter een beloning om samen te werken: lidmaatschap van de Europese Economische Gemeenschap (de latere EU) lonkte. Nu is de prikkel negatief, legt politicoloog Pedro Magalhães uit. „Als we nu niet aan alle eisen voldoen worden we de eurozone uitgeknikkerd. Dan kunnen we ons bij Noord-Afrika voegen.”

Magalhães is somber over de kans op een brede coalitie: „De recente geschiedenis van Portugal leert dat politici electorale motieven altijd laten domineren boven het landsbelang.”