De komkommers vliegen laag dit jaar

Met handelsrelaties is het als met elke andere relatie: ze verslechteren bij gebrek aan aandacht en vooruitgang. Afgelopen weekeinde kwamen de EU en Japan bijeen op een top in Brussel om te werken aan een nieuwe vrijhandelsovereenkomst, waar sinds 2001 eigenlijk niets meer aan is gebeurd. De voorspelbare reactie van de Europese industrie: aardig, zo’n plan. Maar we moeten het nog zien. Trefwoord: Japanse sneeuw, een oude cause celèbre van de internationale handel. Die sneeuw was zó anders dat Japan leveranciers van buitenlandse ski’s buiten de deur hield.

Het is lastig concurreren met de industrie van een land dat, vaak met een beroep op kwaliteit en culturele eigenheid, zijn markt effectief afschermt. Het Japanse exportmodel is een voorbeeld geweest voor de groeistrategie van veel Aziatische landen, China voorop. Het binnenhalen en zo veel mogelijk leren van de buitenlandse concurrentie, om het die daarna zo lastig mogelijk te maken, is onderdeel van die tactiek. De beroemde Japanse ‘quality circles’ veroverden de managementcursussen in de jaren tachtig, maar vergeten is dat dit van oorsprong een Amerikaans idee was.

En hoe werd Amerika ook alweer groot in de tweede helft van de negentiende eeuw? Exporteren, maar het eigen land potdicht houden. Het Britse parlement klaagde er destijds steen en been over, en nog in de laatste jaren van die eeuw noemde de Amerikaanse president McKinley protectionisme een ‘natuurwet’. Het schenden van copyrights, waar China nu vaak van wordt beschuldigd, was in het Amerika van de negentiende eeuw staande praktijk. Edgar Allen Poe kwam als schrijver bijna niet van de grond omdat Amerikaanse uitgevers veel liever Britse schrijvers uitgaven, omdat ze daar de rechten niet voor betaalden. En een van de meest agressieve, huidige, jagers op schendingen van het auteursrecht, Disney, werd nog in de jaren dertig groot met de verfilming van rechtenvrije sprookjes – waar het vervolgens keihard het eigen recht op liet gelden.

Internationale handel is in wezen een meervoudig prisoner’s dilemma: bij vertrouwen en samenwerking wordt iedereen er beter van, maar wie nept profiteert ten koste van de anderen. Vandaar dat het bereiken van een grotere handelsvrijheid mondiaal moet, en in gezamenlijk overleg. Maar de laatste ronde van dat overleg, de zogenoemde Doha-ronde, zit sinds 2001 al muurvast. De topman van de wereldhandelsorganisatie WTO zei deze week dat het wellicht een goed idee is om een akkoord op deelgebieden te sluiten voor het einde van het jaar, en de lastige kwesties (onder meer het patentrecht) daarna te behandelen. Maar dat zou voorbijgaan aan het universele karakter van vrijhandel.

Handel en hypocrisie gaan misschien wel het vaakst samen in een sector die veel te maken heeft met autarkie en veiligheid: de landbouw- en voedselindustrie. De Europese Unie is van oudsher kampioen van het beschermen van de eigen boeren en het met subsidies wegdrukken van anderen op de wereldmarkt. Die reputatie is terecht, maar ook de Verenigde Staten hebben er op dit terrein één. En verontrustender is dat ook de nieuwe, opkomende economieën juist op het gebied van landbouw een agressieve politiek in het leven roepen. Dat geldt met name voor Brazilië.

Wat zegt dat over de komkommer? Een beroep op de volksgezondheid is een traditionele manier om absolutie te krijgen voor het buiten de deur houden van de export van anderen. Er wordt snel en vaak gebruik van gemaakt. Het eerst door Duitsland weren van Spaanse en Nederlandse groente, en vervolgens het door Rusland sluiten van zijn grenzen als reactie op de Duitse uitbraak van de Ehec-bacterie. Dit maakt duidelijk dat de handelsrelaties dringend aan therapie toe zijn.

Maarten Schinkel