De enige echte Dr. Strangelove

Edward Teller leverde grootse bijdragen op het gebied van chemie, astrofysica en kernfysica. Bommen vooral, om ‘het Rijk van het kwaad te dwarsbomen’.

Istvan Hargittai: Judging Edward Teller. A Closer Look at One of the Most Influential Scientists of the 20th Century. Prometheus Books, 575 blz.€ 32,-

Voor zijn vrienden was hij de held van de Koude Oorlog, degene die Ronald Reagan in de gelegenheid stelde zijn Strategic Defense Initiative te lanceren en zo Gorbatsjov naar de onderhandelingstafel te dwingen. Voor zijn tegenstanders was hij het kwaad in eigen persoon, niet alleen de man achter de waterstofbom, maar ook degene die de carrière van zijn vriend Robert Oppenheimer de das om deed en campagne voerde tegen het verbod op kernproeven.

Ergens tussen deze extremen bevindt zich de briljante Hongaars- Amerikaanse wetenschapper Edward Teller (1908-2003). Er zijn vele Tellers en verschillende biografen hebben al getracht om aan die verschillende personen recht te doen. Maar Teller blijft ongrijpbaar, ook voor Istvan Hargittai, die in zijn onlangs verschenen Judging Edward Teller weliswaar tot een redelijk gebalanceerd oordeel komt, maar er toch niet in alle opzichten in slaagt een definitief beeld te schetsen van ‘the real Dr. Strangelove’.

Teller brengt de eerste achttien jaar van zijn leven door in Boedapest in een tumultueuze tijd die hij zelf beschreef als ‘oorlog, patriottisme, communisme, revolutie, antisemitisme, fascisme en vrede’. Omdat hij als jood een carrière aan de universiteit kan vergeten, is hij gedwongen zijn heil te zoeken in Duitsland, de eerste van wat Hargittai zijn drie ‘verbanningen’ noemt. Hij studeert bij Heisenberg en later ook in Kopenhagen bij Bohr, maar als de nazi’s de macht grijpen vlucht hij in 1933 via Engeland naar de Verenigde Staten. En daar komt hij tot zijn belangrijkste wetenschappelijke werk, iets waar Hargittai volledig recht aan doet. Want hoe controversieel ook als persoon, Teller was een groot theoreticus die met zijn diepe kennis en inzicht baanbrekende bijdragen leverde op zulke diverse terreinen als de chemie, de astrofysica en de kernfysica.

Geen wonder dus dat hij in de oorlogsjaren betrokken raakt bij de ontwikkeling van de Amerikaanse atoombom. Sterker nog, met landgenoot Leo Szilard staat hij aan de wieg van het Manhattan Project, als hij in 1939 Einstein zo ver weet te krijgen dat deze per brief de Amerikaanse president Roosevelt waarschuwt voor een Duitse atoombom.

Sovjet-Unie

Als de bommen op Hiroshima en Nagasaki zijn gevallen en zijn collega’s zich weer op hun universitaire posities terugtrekken, blijft Teller in Los Alamos, New Mexico, achter – dus niet ver van het National Laboratory. Hij zint op een waterstofbom (‘more bang for a buck’) en krijgt daar uiteindelijk alle steun voor als de Sovjet- Unie in 1949 over een eigen atoomwapen blijkt te beschikken.

Samen met de Poolse wiskundige Stan Ulam ontwikkelt Teller het concept voor de waterstofbom die op 1 november 1952 tot ontploffing wordt gebracht op het atol Eniwetok in de Stille Oceaan. De vraag of hij daadwerkelijk als de vader daarvan kan worden beschouwd, zal misschien wel altijd onbeantwoord blijven. Met zijn uitspraken daarover – ‘Ik heb recht op 101 procent van de credits en Ulam op min 1 procent – zet hij veel kwaad bloed, en Hargittai laat zien dat hij in de loop der tijd over zijn eigen rol in de ontwikkeling wel vijf verschillende versies heeft verkondigd.

Vast staat dat zonder Tellers gedrevenheid de ‘Super’ er nooit zo snel zou zijn geweest. Diezelfde gedrevenheid brengt hem echter in conflict met veel van zijn collega’s en vooral met Robert Oppenheimer. Het komt tot een definitieve breuk in 1954 als hij ten tijde van de McCarthy-processen getuigt tegen Oppenheimer die hij als een security risk beschouwt: ‘Ik zou de vitale belangen van dit land liever in handen zien van iemand die ik beter begrijp en daarom meer vertrouw.’

Dat is aanleiding tot zijn ‘derde verbanning’, als de natuurkundige gemeenschap zich van hem afkeert. Het zal nooit meer goed komen, helemaal niet als hij zijn ‘eigen’ Livermore laboratorium opzet, dat naast dat van Los Alamos gaat functioneren. Livermore’s eerste testexplosies zijn een fiasco, maar daarna komen de successen. Zo ontwikkelen Teller en zijn mannen een kernkop die vanuit een onderzeeër kan worden gelanceerd, iets wat de meeste experts voor onmogelijk hielden.

Ook propageert hij civiele toepassingen van kernwapens (‘If your mountain is not in the right place, just drop us a card.’). Daarbij sluit hij zijn ogen voor de gevolgen van de radioactieve fallout. Hij ontwikkelt daarnaast een concept voor een ruimtelaser waarmee vijandelijke raketten kunnen worden uitgeschakeld nog voor ze het Amerikaanse luchtruim binnendringen.

Kernexplosie

Het is ongelofelijk om te zien hoe Teller erin slaagt de regering van Ronald Reagan te overtuigen van dit concept (een laser aangedreven door een kernexplosie) op een moment dat het zeer twijfelachtig is of het kan werken. Voor Teller maakt dat allemaal niets uit: in zijn ogen is alles geoorloofd om het ‘Rijk van het Kwaad’ te dwarsbomen.

Teller zag de wereld in zwart-wit en daarom is het moeilijk om tot een afgewogen oordeel over zijn leven en werk te komen. Hargittai gaat daarbij grotendeels af op verslagen van ooggetuigen en omdat hij zich bovendien wat te veel met zijn onderwerp identificeert, laat hij met name over Tellers bemoeienissen met het Amerikaanse atoomwapenprogramma nog wel eens een steekje vallen. Zo is hij opvallend onwetend met betrekking tot een aantal ontdekkingen die de afgelopen tien jaar in archieven zijn gedaan. Zo speculeert hij uitgebreid over de precieze rol die atoomspion Klaus Fuchs heeft gespeeld, terwijl de tekeningen die deze verschafte aan zijn Russische contactpersoon toch al lang en breed zijn gepubliceerd.

Aan de andere kant weet Hargittai het overwegend negatieve beeld dat de laatste jaren van Teller is geschetst op een aantal punten te nuanceren. Zijn slotzin – ‘Controverses en verachting, verdiend en onverdiend, vormden zijn nalatenschap’ – is dan ook de passende conclusie waarmee Hargittai zijn boek afsluit. Een die tegelijkertijd een uitdaging betekent voor toekomstige biografen.