Als ik jaag dan vang ik niets

De Canadese kunstenaar Jeff Wall toont zijn grote geënsceneerde foto’s in Brussel naast werk van kunstenaars die hem inspireerden. Opmerkelijk is de zaal met minimalistische kunst.

Jeff Wall (Vancouver, 1946) weet nog precies wanneer hij zijn eurekamoment beleefde. Het was 1973, hij studeerde kunstgeschiedenis aan het Courtauld Institute in Londen en werkte aan zijn doctoraalscriptie over de Franse kunstenaar Marcel Duchamp. Tot dan toe had Wall zelf ook wat halfslachtige pogingen gedaan om als kunstenaar aan de bak te komen. Hij was begonnen als schilder, maar was ook geïnteresseerd in film en fotografie, en in de performances van kunstenaars als Bruce Nauman en Chris Burden. Hij experimenteerde wat met conceptuele kunst, maar had al snel het gevoel op een dood spoor te zitten. En toen zijn grote doorbraak uitbleef, besloot hij kunstgeschiedenis te gaan studeren. „Dat leek mij een gemakkelijke studie”, vertelt de Canadese kunstenaar nu. „Kunst had altijd mijn interesse gehad, dus die tentamens waren een eitje.”

Voor zijn scriptie-onderzoek reisde Wall in oktober 1973 naar Philadelphia, waar het Museum of Art een grote Duchamp-tentoonstelling organiseerde. Hij zag er Duchamps laatste meesterwerk Étant donnés, de gluurinstallatie die via een gaatje in een houten deur uitzicht biedt op een naakte dame in het gras, en was „diep onder de indruk” van de vreemdheid ervan. Ook dook hij er in de archieven, waar hij Duchamps handleiding voor het in- en uit elkaar halen van Étant donnés vond – een map vol zwart-wit foto’s en handgeschreven aantekeningen. Een openbaring, aldus Wall. „Omdat het liet zien hoe je een kunstwerk kon maken dat maar vanuit één standpunt bekeken kon worden. En dat die kunstmatig geconstrueerde wereld ook iets kon betekenen.”

Zijn doctoraalscriptie zou Jeff Wall nooit afmaken, maar in Philadelphia was wel de kiem gelegd voor een carrière als een van ’s werelds succesvolste kunstenaars. Geïnspireerd door Duchamp begon Wall eind jaren zeventig met het maken van zijn eigen geconstrueerde tableaus. Metersgrote foto’s waren dat, van door de kunstenaar nauwkeurig in scène gezette situaties: interieurs die hij als filmsets van vloer tot plafond had nagebouwd, of straatgezichten die oogden als momentopnames maar die in werkelijkheid tot in de puntjes geregisseerd waren. Het idee om die foto’s op grote lichtbakken te presenteren, deed Wall op tijdens een reis door Spanje, waar zijn oog viel op de verlichte billboards in een busstation. Vlak daarvoor had Wall nog de monumentale schilderijen van Goya en Velazquez in het Prado bewonderd. En opeens had hij een manier gevonden om de epische schaal van de oude meesters te combineren met de techniek van hedendaagse reclame. Sindsdien is de lichtbak hét handelsmerk van Jeff Wall. Als nachtvlinders worden we door zijn oplichtende fotowerken aangetrokken. Felle, haarscherpe beelden zijn het, die als flitslichten op ons netvlies blijven.

Op zijn tentoonstelling The Crooked Path in het Brusselse museum Bozar laat Jeff Wall zijn werk nu zien naast dat van de kunstenaars die hem beïnvloed hebben. Er is kunst te zien van zo’n veertig zielsverwanten, onder wie generatiegenoten als Dan Flavin en Robert Smithson, maar ook van historische voorbeelden als Diane Arbus en Walker Evans, en van hedendaagse kunstenaars als David Claerbout en Kai Althoff. Duchamps Étant donnés is niet in Brussel te zien, dat werk mag niet meer op reis. Maar de map met instructies ligt er wel. Het is voor het eerst dat Duchamps handleiding buiten Philadelphia getoond wordt. Een coming-out, zo mag je deze indrukwekkende tentoonstelling gerust noemen. Het is alsof Wall ons zijn geloofsbrieven aanbiedt: dit zijn de mensen die ik bewonder, in deze context zou je mijn werk moeten bekijken. „In ieder geval zijn het werken die me geraakt hebben en die een stempel hebben gedrukt op mijn ontwikkeling als kunstenaar”, zegt Wall, een zachtaardige zestiger met krullend haar tot over zijn schouders. „Al is die invloed niet bij alle werken even zichtbaar. Invloed of inspiratie is vaak iets mysterieus.”

De titel van de tentoonstelling, The Crooked Path, verwijst naar een werk van Wall uit 1991: een foto van een slingerpaadje dat door onbestemd niemandsland leidt. Voor de kunstenaar is die titel ook een metafoor voor de vele omwegen in zijn leven. „The Crooked Path gaat over de onverwachte dingen die je in het leven tegenkomt, de spontane ontmoetingen met andere kunstenaars die je beïnvloeden zonder dat je daarnaar op zoek was. Je kunt je levensloop niet plannen. Er gebeuren altijd ongelukken of er zijn verrassingen die je van richting doen veranderen. Dat is waar deze tentoonstelling over gaat.”

In Brussel legt Wall relaties waar je als kijker zelf nooit op gekomen zou zijn. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de zaal met minimalistische kunst van Dan Flavin, Carl Andre en Frank Stella. Wat heeft dat sobere werk te maken met de intense foto’s van Wall? Maar dan valt opeens de gelijkenis in formaat op. „Ik ben opgegroeid met de schilderijen van Rothko, Pollock en Stella”, beaamt hij. „Mij fascineerde vooral de grootte van hun werk, en de impact die hun kunst had op de toeschouwer.”

Wall was een van de eerste kunstenaars die die schaal, tot dan toe voorbehouden aan de schilderkunst, inzette voor foto’s. In de jaren zeventig, toen fotografie nog nauwelijks als kunstvorm gezien werd, was dat een revolutionaire ontwikkeling. „Ik heb altijd het gevoel gehad dat de schaal van de traditionele fotografie te klein was”, vertelt hij. „Tot de jaren zeventig was het formaat van foto’s toegesneden op kranten, tijdschriften en boeken. Ik vond dat fotografie meer te vertellen had, dat zij een potentieel had waar tot dan toe nooit serieus gebruik van was gemaakt. In de schilderkunst had je die vrijheid wel. Daar waren geen standaard maten of codes. Het viel me op dat in musea schilderijen ook altijd meer ruimte om zich heen hadden dan foto’s. Zodat er meer bezoekers tegelijk voor konden staan. Ik stelde mij voor dat er op die momenten gesprekken tussen toeschouwers konden ontstaan, dat mensen hun ervaring met elkaar deelden. Dat zou bij fotografie ook moeten kunnen, vond ik, en daarom maakte ik mijn foto’s groter.”

Toch wordt er op de tentoonstelling in Brussel ook veel ruimte ingenomen door de kleine, documentaire fotografie uit de periode 1900-1970, met werk van onder meer Eugene Atgèt, Robert Frank en August Sander. Wall: „Tot nu toe werd altijd gedacht dat kunstenaars als ik zich in de jaren zeventig en tachtig verzetten tegen dat soort werk, dat wij een nieuw soort fotografie aan het uitvinden waren. Maar dat heb ik nooit geloofd. Natuurlijk heb ik geprobeerd om los te komen van die traditie, ik wilde haar niet letterlijk volgen. Maar mijn werk is wel degelijk geworteld in die documentaire fotografie. Alleen is dat tot nu toe op geen enkele tentoonstelling benadrukt.”

Jeff Wall is vaak omschreven als een flaneur. Hij is iemand die de stad afstruint en mensen, plaatsen, houdingen en situaties observeert. Maar anders dan straatfotografen als Weegee of Gary Winogrand – beiden ook vertegenwoordigd in Bozar – heeft Wall niet de behoefte om die beelden direct vast te leggen. Zijn werkwijze is het tegenovergestelde van wat Cartier-Bresson ‘het beslissende moment’ noemde. Het liefst laat Wall de beelden nog weken of maanden sudderen in zijn hoofd, voordat hij ze probeert te recreëren. Dus het lijkt misschien wel of hij die rij wachtende jongeren voor een nachtclub zo heeft aangetroffen op straat (In Front of a Nightclub, 2006), maar in werkelijkheid is de groepsscène opgebouwd uit talloze negatieven die op de computer aan elkaar gemonteerd zijn. En de foto Boy Falls from Tree (2010), van een jongen die een smak maakt in een achtertuin, is bij nader inzien geen toevalstreffer maar trucage. ‘Near documentary’, noemt Wall die werkwijze. Het is theater, maar toch echt. Een performance vermomd als snapshot.

Wall: „Het uitgangspunt van mijn foto’s is bijna altijd een toevallige gebeurtenis. Iets wat ik gezien, gehoord, meegemaakt, gedroomd of gelezen heb. Het kan van alles zijn, maar het is altijd onverwacht. Ook daarin geldt de metafoor van The Crooked Path: ik heb nooit een vooropgesteld idee. Mijn methode, als ik die al heb, is dat ik begin met níet fotograferen. Ik houd van het idee dat ik mijn beelden laat ontsnappen aan de foto. Dat is dus het tegenovergestelde van wat de grote reportagefotografen deden. Zij jaagden en vingen, zij legden vast. Maar als ik jaag dan vang ik niets. Ik zie mijzelf meer als een vogelaar die vogels van een afstandje bestudeert. Natuurlijk onthoud ik wel wat ik gezien heb. In een later stadium probeer ik het gevoel van dat moment weer te recreëren.

„Als je dat goed doet, voelt de foto waarachtig, ook al weet iedereen dat de scène niet echt is. Dat is wat alle goede kunst doet: een illusie creëren die waarachtig is. Inderdaad, er gebeuren surrealistische dingen in mijn foto’s, maar die gebeuren in het echte leven ook. Ik maak geen selectie, ik sluit niets buiten omdat het niet realistisch of niet logisch is. De meest onwaarschijnlijke gebeurtenissen kunnen ook waarachtig zijn.”

Veel van de decors voor zijn foto’s vond Wall gewoon dichtbij huis, in de buitenwijken van Vancouver. „Vancouver is voor mij een nuttige stad, omdat hij op zoveel andere steden lijkt. Er zijn niet veel herkenbare monumenten. Sommige delen zouden net zo goed een Europese buitenwijk kunnen zijn. Ik houd van die anonimiteit, van de openheid en ongedefinieerdheid van Vancouver. Het was bovendien in de jaren zeventig een stad die nog niet veel gefotografeerd was. Later herkende ik die voorkeur voor vergeten urbane plekken, voor non-monumentale architectuur, ook bij andere fotografen als Thomas Struth of Stephen Shore.”

Ze zijn in groten getale op The Crooked Path vertegenwoordigd, de fotografen die sinds de jaren zeventig de kunstfotografie naar een hoger niveau hebben getild: Craigie Horsfield, Thomas Struth, Thomas Ruff, Andreas Gursky. Wall: „Al die mensen hebben bijgedragen aan de intensivering van het fotografische beeld in de jaren zeventig en tachtig. Er werd toen echt een grote sprong gemaakt. Ik denk dat fotografie altijd een belangrijke kunstvorm was. Het werd alleen niet breed als zodanig erkend. Er was een kleine transformatie voor nodig om mensen bewust te maken van de kwaliteiten van fotografie. Ik had het geluk net voorbij te komen op het moment dat die populariteit zichtbaar werd.”

Wat vindt hij ervan dat hij nu zo geïncorporeerd is in de kunstwereld dat zijn foto’s voor bedragen van meer dan een miljoen geveild worden? „Ach, het windt me niet op en het stoort me niet”, zegt Wall met zijn zachte, bescheiden stem. „Toen ik een jonge kunstenaar was, had ik geen cent en maakte toch die dure grote werken. Nu zijn mijn omstandigheden aanzienlijk verbeterd, maar doe ik nog steeds precies hetzelfde: een creatieve vonk zien in alledaagse situaties en daar iets moois van maken. En ik weet dat als het zou moeten, ik ook nu nog zonder geld mijn werk zou kunnen maken. Die drive is er nu eenmaal.” Hij lacht. „Echt, ik weet hoe het is om een arme kunstenaar te zijn, dat ben ik niet vergeten.”

Jeff Wall: The Crooked Path. T/m 11 sept in BOZAR, Ravensteinstraat 23, Brussel. Inl: www.bozar.be. Daarna te zien in het Centro Galego de Arte Contemporánea in het Spaanse Santiago de Compostella.