Weg van genade, weg van het leven

The Tree of Life. Regie: Terrence Malick. Met: Brad Pitt, Jessica Chastain, Sean Penn. In 15 bioscopen

Vijf ballen voor The Tree of Life, want de film is perfect. Of pompeuze kitsch. Of beide. Dat masker dat in zee dwarrelt: in de dood gaan de maskers af. Die gele vlinder die landt op de hand van de sereen glimlachende moeder O’Brien. Reclameplaatjes toch?

Alleen: Terrence Malick mag het. Bij hem is het subliem, hij is naïef genoeg om het te menen. Niemand anders heeft de levensernst om vragen te stellen als: Wat is onze plaats in het universum? Waarom treft kwaad goede mensen? Hoe moet ik leven? Dat The Tree of Life in Cannes de Gouden Palm won, voelde ook als onvermijdelijk: te belangwekkend om met een tweede prijs af te schepen. Het is een film om meer dan één keer te zien, om over na te denken, om neer te sabelen of juist te adoreren. Die op niets lijkt dat u eerder zag.

De Amerikaanse mysticus Terrence Malick draagt het script al dertig jaar bij zich. Ooit, in 1978, raakte Charles Bluhorn, bestuursvoorzitter van Gulf & Western, zo ontroerd door zijn film Days of Heaven dat hij Malick een miljoen dollar schonk. Een giftige pil, want het gaf de door zijn eigen succes geïntimideerde regisseur de armslag om eindeloos met het script van de ‘onmogelijke film’ Q te fröbelen, ongericht natuurplaatjes te schieten en naar Parijs te vluchten toen Paramount ongeduldig werd. Er volgde een creatieve droogte van twintig jaar.

Q, zo heette het indertijd, ging over een Minotaurus die droomt van het ontstaan van het universum en de evolutie. In dertig jaar tijd is dat gegeven gemuteerd tot The Tree of Life, de film die Malicks oeuvre samenvat. In de twee andere films die hij sinds 1978 maakte – The Thin Red Line, The New World – zet hij natuurlyriek af tegen het platvloerse vechten en krabbelen en streven. In The Thin Red Line (1998) veroveren Amerikaanse soldaten een heuvel op Guadalcanal op de Japanners, maar het draait om de morele overwegingen en existentiële overpeinzingen die ze soms met hun laatste ademtocht de zaal in prevelen. Over puurheid, onschuld, overgave, liefde, geluk dat ligt in berustend quietisme.

In The Tree of Life heeft Malick het verhaal helemaal afschaft: dat leidt maar af. Het is een volstrekt subjectieve film: een beeldgedicht, een morele en existentiële meditatie, een levenssymfonie met thema’s die opkomen, wegsterven en weer terugkeren. De dromende Minotaurus van Q is de vijftiger Jack O’Brien geworden (Sean Penn), een architect in een benauwende, contactarme kantoorwereld van glas en metaal. Hij heeft zijn Dante-moment: „Op ’t midden van ons levenspad/hervond ik mij in een donker woud.” Ergens is iets fout gelopen. We volgen Jacks tastende zoektocht naar zijn jeugd in Waco, Texas: flarden van herinneringen, kennis, emoties, citaten, beelden, symbolen. Het bos, symbool van vertwijfeling. De levensboom uit religies én het Darwinisme, met takken die uitbotten en afsterven. De zee, voor vergetelheid en eeuwigheid.

Een sprong in de tijd: moeder O’Brien (Jessica Chastain) bevindt zich ook in een donker bos. Haar geloof wankelt: zojuist hoorde ze dat haar 19-jarige zoon stierf. Waarom heeft de God die zij zo rotsvast vertrouwde dat gedaan? „Wist u ervan? Wat zijn we voor u?”, vraagt zij. Waarna we zien wat wij denken te weten door de wetenschap: ontzagwekkend kosmisch geweld van oerknal, lava en stoom. Soms een klein wonder: een dinosaurus die zijn prooi laat gaan. Een zinloze daad van genade, want even later valt een meteoriet bijna teder in zee en roeit alle dinosauriërs uit. In dat kosmisch geweld betekent een leven niets.

Dat twintig minuten durende segment, een nogal grote greep in een verder persoonlijke, semiautobiografische film, is wat Q verbindt met The Tree of Life. „Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte”, luidt het motto: Job 38: 4. In het bijbelboek is het een sarcastische vraag die God zijn dienaar Job stelt nadat hij hem alles afnam. Juist dan eist hij kritiekloze onderwerping. De Heer geeft, de Heer neemt: hij zendt vliegen naar de wonden die hij zou moeten helen, prevelt iemand.

Maar waarom zou ik goed zijn als god slecht is, luidt de tegenvraag. Zo belanden we in de jeugd van Jack O’Brien in Waco, Texas, in de jaren vijftig. Eerst flarden: een briesje dat een gordijn doet opbollen, vader die verwonderd naar zijn roze babyvoetjes kijkt. De camera fladdert rond: het eerste ‘van mij’-moment, jaloezie, claimgedrag. Dan groeit Jack op en worden de scènes langer. De groeiende wrijving met vader O’Brien (Brad Pitt), die onderwerping eist en in naam van ‘discipline’ zijn frustraties op zijn drie zonen afwentelt. Bij Jack kweekt hij oedipale rancune, sadisme en schuldgevoel.

Grijp wat je kan, leert de vader. Als je afwacht, is je leven zo voorbij. Hij belichaamt de weg van de natuur: het gulzig streven dat nooit helemaal bevredigd wordt, niet gelukkig kan maken. Daar tegenover staat de weg van genade, belichaamd door moeder O’Brien (Jessica Chastain), een etherisch wezen dat eindeloos geeft en offert en accepteert. Zonder liefde, fluistert zij, vliegt het leven in een zucht voorbij. Waar de vader een man van vlees en bloed is, is zij bijna een fantasiebeeld, suggereert Malick door haar als blauwe fee van Pinokkio of Schone Slaapster op te voeren.

Haar weg van genade is superieur. Want hoeveel Nietzsche, Dante, Thomas à Kempis, Heidegger en Job je er bij haalt, de levenslessen van Malick zijn simpel, banaal bijna. Heb lief, ga op in het moment, geef je over aan schoonheid, want alleen dat maakt gelukkig. En gelovig of niet, stel geen eisen aan het leven. Wie daar twee uur en een kwartier naar kan leven, zal door The Tree of Life worden betoverd.

Vrijdag in CS: interview Brad Pitt