Pus, pus en nog eens pus

Alle tandartsen kennen elkaar, ontdekte Marcel van Roosmalen op hun congres.

De tandartsen kwamen vooral voor de gezelligheid, en voor de overvloedige lunch.

In theater De Flint in Amersfoort kwamen driehonderd tandartsen samen voor een congres met de pakkende titel ‘de apexresectie’. De parkeergarage stond vol dure auto’s, want tandartsen verdienen veel. „Laten we eerlijk zijn”, zei een tandarts bij de betonnen asbak naast de hoofdingang, „wij krijgen twee keer Balkenende.”

Hij rookte sigaretten zonder filter, niet goed voor het gebit. Hij was op de hoogte van het feit dat mijn eigen tandarts een ongeluk had gehad, want alle tandartsen in Nederland kenden elkaar. „Er zijn maar drie opleidingen, je komt mekaar overal tegen.” Zelf kwam hij voor ‘de gezelligheid’ en het informatiemarktje, want hij was op zoek naar een nieuwe stoel, een investering van ongeveer 20.000 euro.

In de hal van het theater stond organisator Paul Kalker, een magere man met een bril, ons letterlijk met open armen op te wachten. We kregen een congrestas, tot de rand toe gevuld met folders en reclamemateriaal van tandartsattributen.

Hij was de congresspecialist van tandartsen, een lucratieve niche. Het geheim zat ’m in het aantrekken van goede sprekers en, nog belangrijker, het regelen van een overvloedige lunch, want tandartsen waren niet van het broodje kaas of ham.

Goed, het congres.

Apexresectie was misschien niet het meest toegankelijke onderwerp, maar dat maakte het niet minder boeiend. Paul verloor zich in een verhaal over wortelkanaalbehandelingen die om onduidelijke redenen niet waren aangeslagen. „En dan komt apexresectie in beeld...”

We waren inmiddels opgeschoven naar een marktkraampje waar modellen van gebitten lagen. Paul pakte zo’n gebitje in de hand en wees naar een kies. Duidelijk was dat het geen simpele ingreep was, maar het resultaat mocht er zijn. Wat hij verder nog wilde opmerken: tandartsen die gespecialiseerd waren in wortelkanaalbehandelingen waren gezellige mensen, nog vrolijker dan gewone tandartsen, ook een vrij gezellig volkje trouwens. Hij zag het al bij binnenkomst. „Ze wisselen een blik van herkenning uit, stuiven op elkaar af en beginnen meteen aan een babbel. Kom daar maar eens om bij een andere beroepsgroep.”

Zijn neefje, een jongen van een jaar of zestien die bij de garderobe over de jassen ging, kwam langs met een pak verantwoorde kauwgom. Goed voor de tanden, die had meneer de journalist vergeten te pakken.

„Pak mee, pak mee”, zei Paul.

Hij greep me bij de arm en sleurde me naar de theaterzaal die uitpuilde van de tandartsen. Ik werd met kladblok op een stoel gezet en luisterde naar Michiel de Cleen, de specialist op het gebied van de apexresectie. Op rechts een tandarts uit Heerhugowaard, die me meteen juist inschatte: ik was geen collega. „Dat zie ik aan de schoenen, gek hè?”

Ja, dat was gek, maar het deed er verder niet toe.

We waren op het allerergste voorbereid, maar Michiel de Cleen bleek een boeiende spreker. Op het diascherm verschenen afschrikwekkende foto’s van slechte tanden. „Kijk toch eens naar deze bacteriekolonie, een ophoping van de meest fantastische soorten... Ze groeien en bloeien... Moeilijk te bereiken voor spoelmiddel en vijl, het Tora Bora voor de specialist!”

Met behulp van een serie plaatjes toonde hij hoe hij ‘deze jongens’ met een apexresectie te lijf ging. „En kijk eens wat er vrij komt mensen: pus, pus en nog eens pus! Verrassend weinig bloed! Heee! Stro-geel pus? Jongens, we zijn op een cyste gestoten. Helemaal niet erg, gewoon doorgaan...”

De tandartsen, heel wat gewend natuurlijk, schakelden verrassend gemakkelijk over op de overvloedige lunch. Er vormde zich een rij voor de broodjes ‘Amsterdamse kroket’. „Eerst smullen, dan gaatjes vullen!”, zei de Brabantse tandarts voor me, beroepshumor.

Daarna scharrelen over de informatiemarkt, waar ze zich lieten informeren over nieuwe boortjes en technieken. De onderlinge gesprekken waren vooral zakelijk.

„Ik zie het meteen als er een slechte wortelkanaalbehandeling is uitgevoerd”, zei een tandarts met een smerige oorontsteking, de rechterkant van het grote hoofd was afgeplakt met gaas. „Er zit altijd een slechte vulling op. Zo’n rammelende putdeksel, dan weet je dat je die er weer uit kunt gaan prutsen.”

Zijn collega: „Laat je ze terugkomen, of doe je dat meteen?”

Het smerige oor: „Vervolgafspraakje, standaard.”

De broers Gerner uit Zwolle, alle twee flaporen, alle twee een slecht gebit, waren eigenaar van het bedrijf AD Jansen. Ze bezaten het monopolie op de Micro Mega, een tandartsboor met titaniumpunt. Dat ding ging overal doorheen. Eugene, de oudste van de twee, prikte ermee in mijn vinger. Daarna informeerde hij naar de lunch. Hij had twee pistoletjes met zalm en een broodje kroket op. „Dus wat mij betreft is het nu al een geslaagde dag.”

Hij verwachtte die dag niets te verkopen.

„Tandartsen zijn trage beslissers, ze wikken en wegen en nemen pas daarna een beslissing. Heel anders dan bij een consult, dan gaan ze meteen aan de slag. Met de Micro Mega.”