Net zo riskant als koffie en uitlaatgassen

Na lang wikken en wegen heeft de WHO besloten dat de mobiele telefoon een ‘mogelijke kankerverwekker’ is. Dat klinkt alarmerender dan het is.

Sander Voormolen

Straling van mobiele telefoons is ‘mogelijk kankerverwekkend voor mensen’. Tot die conclusie kwam een speciale werkgroep van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO gisteren na een uitgebreide bestudering van alle wetenschappelijke publicaties op dit gebied. De beslissing om er officieel zo’n etiket op te plakken zet het lopende debat over kanker en mobiele telefonie verder op scherp. Toch doet het recht aan de huidige status van het onderzoek naar de verbanden. Om te kunnen uitsluiten dat mobiel bellen hersentumoren veroorzaakt, is meer onderzoek nodig.

De werkgroep van de WHO, het internationale agentschap voor onderzoek naar kanker (IARC), vergaderde acht dagen lang in Lyon over de kwestie. Een panel van 31 wetenschappers uit veertien landen kwam tot de slotsom dat er ‘beperkte’ aanwijzingen zijn voor een verband tussen mobiel bellen en het vóórkomen van hersentumoren (zogeheten gliomen) en tumoren van de gehoorzenuw (akoestische neuromen). Voor een verband met andere vormen van kanker waren de aanwijzingen ‘onvoldoende’.

Straling van mobiele telefonie is nu officieel beland in dezelfde categorie waarin eerder ook uitlaatgassen van benzineauto’s, koffie en talkpoeder voor baby’s werden opgenomen; categorie 2B. Het IARC onderscheidt vijf categorieën van prikkels die tumoren kunnen veroorzaken. Van de ruim 900 factoren die het IARC tot nu toe beoordeelde, viel er slechts een in de categorie ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’, caprolactam, een grondstof voor plastics. Dat toont wel aan hoe moeilijk het is om wetenschappelijk betrouwbaar uit te sluiten dat een bepaalde stof of prikkel niet kankerverwekkend is.

Voor de beoordeling van het risico van mobiele telefonie baseerde het IARC zich onder meer op gepubliceerde en nog niet gepubliceerde resultaten van de zogeheten Interphone-studie, een langlopend onderzoek naar de gezondheideffecten van mobiele telefonie dat gehouden wordt in dertien landen over de hele wereld. Mobiele bellers bleken daarin na tien jaar geen verhoogde kans op hersentumoren te hebben. Maar onder de intensieve bellers werden er wel aanwijzingen gevonden voor een verhoogde kans op dit soort kankers. Sommige van deze bellers rapporteerden dat zij een tumor hadden gekregen aan dezelfde kant van het hoofd als waar zij hun telefoon altijd hielden. Maar statistisch was het bewijs niet sterk genoeg om een causaal verband aan te tonen.

Een kanttekening bij dit onderzoek is dat mensen in de loop der jaren steeds vaker mobiel zijn gaan bellen. De proefpersonen in de Interphone-studie belden gemiddeld 2 tot 2,5 uur per maand, en de groep intensieve bellers gemiddeld een half uur per dag. Naar moderne maatstaven is dat belgedrag erg bescheiden. Volgens het IARC is het voor jongeren tegenwoordig ‘niet ongewoon’ dagelijks meer dan een uur te bellen.

Daarom is het nodig meer onderzoek te doen naar de langetermijngevolgen van intensief mobiel bellen, met name bij jongeren, die ondervertegenwoordigd zijn in de Interphone-studie, zei directeur Christopher Wild van het IARC gisteren. Binnen de Europese Unie is al een internationaal onderzoek opgezet, MobiKids, dat daar speciaal naar gaat kijken. „Totdat die resultaten bekend zijn”, voegde Wild toe, „is het belangrijk pragmatische maatregelen te nemen om blootstelling te beperken, bijvoorbeeld door vaker handfree te bellen of te sms-en.”

De conclusies van het IARC over mobiele telefonie en kanker zullen binnenkort gepubliceerd worden in het medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet Oncology.