Met een eeuw verleden op zijn rug

Roem kwam laat voor de schrijver Hans Keilson: een boek van hem uit 1959 werd in 2010 tot meesterwerk uitgeroepen. Maar de arts/auteur genoot van de eer die hem uiteindelijk ten deel viel.

Het is bij één Boekenbal gebleven. Drie maanden geleden debuteerde Hans Keilson op de traditionele opening van de Boekenweek: „Ik ben 101 jaar... en drie maanden”, zei hij tegen wie het maar horen wilde. En: „Ik houd erg van dansen, maar dat moet ik niet doen. Als ik val, of als mijn vrouw valt, dan zitten we met allemaal fracturen en dat is niet de bedoeling van het leven.”

Gisteren overleed de schrijver in een ziekenhuis in Hilversum, 101 jaar en zes maanden oud.

De faam die Hans Keilson in zijn laatste levensjaar in Nederland ten deel viel was even verdiend als onverwacht. „In de ban van de tegenstander en Komedie in mineur zijn meesterwerken en Hans Keilson is een genie”, schreef de New York Times op 5 augustus 2010. Die lof voor een vrijwel vergeten schrijver en psychiater miste zijn uitwerking niet. De honderdjarige werd uitgenodigd in De Wereld Draait Door, ontving thuis in Bussum de ene interviewer na de andere, werd geëerd met literaire bijeenkomsten en zag zijn werk plotseling over de halve wereld vertaald worden.

En zo trok Hans Keilson, een levend stukje geschiedenis, het afgelopen jaar met zijn rollator van boekwinkel naar boekwinkel, vooral als uitgeverij Van Gennep weer een nieuw boek van hem uitbracht. Hij greep daar zijn gesprekspartners bij de hand, trok ze naar zich toe (oude oren) en zei herhaaldelijk dat hij het allemaal ‘fantastisch’ vond. De dictie verried dat hij in Duitsland was geboren, het land dat hij in 1936 ontvluchtte.

Al die interviewers troffen een fysiek breekbare man die met vastberaden zachtmoedigheid over zijn leven sprak en die zich ervoor excuseerde dat hij zich soms dingen niet meer zo precies kon herinneren. „Mijn rugzakken zijn in de loop der tijd gevuld geraakt met herinneringen, die moet ik allemaal met me meetorsen.”

In die rugzakken zit in de eerste plaats een oorlogsgeschiedenis. In zijn drie maanden geleden verschenen boek met herinneringen, Daar staat mijn huis, schreef Keilson: „Ik kan onmogelijk onbevangen vertellen over mijn ouders, kindertijd, vrienden en ook vijanden en vooral over de tijd dat ik in Freienwalde naar school ging, mijn eerste schrijfpogingen deed, in Berlijn woonde en studeerde, zonder de omstandigheden van mijn verdrijving daarvoor en daarna en ook van mijn overleven in mijn schuilplaats te gedenken. Alles had ook anders kunnen aflopen.”

Het wonder van de schrijver Hans Keilson schuilt in de diepe ernst van zijn onderwerpen, gecombineerd met de onweerstaanbare lichtheid van zijn toon. Dat geldt zeker voor zijn belangrijkste roman In de ban van de tegenstander, waarin een jonge joodse man in het Duitsland van de jaren dertig volledig gefascineerd raakt door Hitler. Hij herkent in B. (zoals de dictator in de roman heet) de man die het op hem en zijn familie gemunt heeft en wil hem koste wat kost doorgronden, hij voelt een haast metafysische verbondenheid. „Een volwassen vijandschap moet rijpen, net als de mooiste vriendschap.”

Na de verschijning van In de ban van de tegenstander in 1959 oogstte Keilson lof, maar kreeg hij ook kritiek. „Men vond dat ik niet genoeg haatte”, zei hij daar later over.

Niet dat hij geen reden had om te haten. Keilson zelf overleefde de oorlog in de onderduik in Nederland, maar zijn ouders werden vermoord in Auschwitz. „In mij zit het diepe trauma dat ik hen niet heb kunnen redden”, zei hij in december tegen deze krant. Bij die gelegenheid noemde hij ook zijn psychotherapie als essentiële ervaring. Zijn therapeut zei hem: „Probeert u nu alles te zeggen wat u wilt, alles waar u aan denkt en ook alles waar u niet meteen aan denkt.” Keilson: „Dat was een heel, heel belangrijke ervaring voor mij.”

Hans Keilson werd op 12 december 1909 geboren in het Duitse Bad Freienwalde, aan een dode arm van de Oder. Hij studeerde geneeskunde in Berlijn, waar hij bijverdiende als trompettist in een ragtimeband. In 1933 debuteerde hij als schrijver met de roman Das Leben geht weiter (Het leven gaat verder). Het zou het laatste boek zijn van een joodse auteur dat verscheen bij het legendarische S. Fischer Verlag, een jaar later werd het verboden. „Machen Sie, dass Sie rauskommen. Ik vrees het allerergste”, zei zijn redacteur.

Via kennissen belandde Keilson in Nederland, waar hij de taal onder meer leerde door te luisteren naar de radioreportages van voetbalverslaggever Han Hollander. Hij publiceerde gedichten in het tijdschrift De Gemeenschap. Tijdens de bezetting door de Duitsers zat Keilson ondergedoken op verschillende adressen, onder meer bij een familie Rientsma in Delft. Zij zouden model staan voor de roman Komödie in Moll (Komedie in mineur), die in 1947 verscheen, over een gezin dat wordt geconfronteerd met de plotselinge dood van de onderduiker die ze in hun huis verborgen.

Keilson nam tijdens de bezettingsjaren grote risico’s. Met een vervalst persoonsbewijs trok hij Nederland door om bij katholieke en protestantse gezinnen ondergedoken joodse kinderen psychisch bij te staan. Na de bevrijding in 1945 vestigde hij zich als psychiater en specialiseerde hij zich in de traumaverwerking van joodse oorlogskinderen. Zijn dissertatie Sequentielle Traumatisierung bei Kindern (1979) werd een standaardwerk. Keilson beschreef hoe joodse weeskinderen niet alleen te lijden hebben gehad onder de oorlogservaringen, maar ook onder de opvang na 1945, die grote consequenties had voor hun latere ontwikkeling.

„Ik ben arts”, zou Keilson zijn hele leven blijven benadrukken. Zijn werk als medicus en hulpverlener zag hij als zijn hoofdtaak, schrijven kwam op de tweede plaats. Toch bleef hij steeds literair actief. Hij publiceerde geregeld gedichten en essays, altijd in zijn moedertaal. Aan In de ban van de tegenstander werkte hij van 1942 tot 1959; tijdens de oorlog verstopte hij het manuscript in een broodtrommel, die hij begroef in de tuin van zijn onderduikadres. Het ‘te milde’ boek werd geweigerd door Fischer, maar werd wel vertaald en figureerde in de literaire jaarlijst over 1963 van Time Magazine, naast werk van Nabokov, Faulkner, Borges en Philip Roth. Tot een internationale doorbraak kwam het niet.

In de jaren tachtig werd Keilson actief in de Duitse PEN-club en verwierf hij enige literaire status in zijn vaderland. In zijn essays pleitte hij steeds weer voor begrip van de nazitijd, eerder dan voor veroordeling. In ‘Ein deutsches Doppelleben’, een opstel over een in de jaren negentig als oud-nazi ontmaskerde rector van de universiteit van Aken formuleerde hij als zijn motto „dat men nazi kan zijn geweest en dat niet altijd moet blijven”.

Bij zijn 95ste verjaardag – het jaar waarin hij zou stoppen met het behandelen van patiënten - verscheen zijn verzameld werk in twee banden en stuurde de Frankfurter Allgemeine Zeitung een verslaggever naar Bussum om hem te interviewen. Enkele jaren later kreeg hij de Die Welt Literaturpreis, op zijn honderdste werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.

Waarna The New York Times volgde en de explosie van aandacht waar Keilson zich in de laatste tien maanden van zijn leven met het grootste genoegen aan laafde.

Waarbij hij als een seculiere evangelist steeds weer benadrukte dat hij nooit was gaan haten. Bijvoorbeeld op een stormachtige decemberavond vorig jaar, toen door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam de heruitgave van Komedie in mineur ten doop gehouden werd en – tien dagen te vroeg – Keilsons 101ste verjaardag gevierd.

Het werd een adembenemende bijeenkomst, met een zaal die voor een belangrijk deel bestond uit de joodse kinderen die Keilson na de oorlog behandelde en die nog één keer naar hem kwamen kijken en luisteren – en die nog tot lang na afloop van het programma zouden blijven om hem even aan te kunnen raken. De schrijver sprak er het ene aforisme na het andere uit. „Haat vernietigt uiteindelijk zichzelf”, zei hij. „B. [de afkorting voor Hitler in In de ban van de tegenstander, red.] heeft zichzelf vernietigd.” En ik ben er nog, voegde hij daar net niet aan toe.

Arjen Fortuin