Ja, De Hel bestaat

Geoloog Salomon Kroonenberg ging wereldwijd op hellevaart. Atte Jongstra duikt in zijn mix van fictie en werkelijkheid. „Je komt nog eens ergens. Onder de grond dus.”

Bestaat de hel? In beeldende kunst en literatuur is dat geen vraag. Een van de mooiste verbeeldingen is die van Botticelli (1445-1510), een soortement kwellingsdraaitol. De Vlaamse kunstenaar Jan van der Straet stelde de hel in 1587 diapositief voor, als een soort open mijn.

Botticelli’s draaitol zou er zo in passen. De Van der Straet-hel staat afgedrukt in Salomon Kroonenbergs Waarom de hel naar zwavel stinkt. Mythologie en geologie van de onderwereld. Vooral dat ‘geologie’ wekt belangstelling. Tekenend is Kroonenbergs onderschrift: „De Hel Jan van der Straet lijkt in kalksteen gevat.”

Er zouden beslist plekken op aarde kunnen zijn die op de hel lijken zoals auteurs als Homerus, Vergilius, Dante, Milton, Blake of Byron hebben beschreven. Kroonenberg zocht ze op, fysiek. Jezus ter helle gevaren, zoals een apocriefe evangelie vertelt? Kroonenberg begeeft zich naar Jeruzalem. Met eenvoudige vragen. Waar is Jezus de hel dan precies binnengegaan? Kroonenberg vindt slechts de steengroeven van koning Salomo. Homerus beschrijft dat Odysseus nabij een waterval van de Acheron-rivier een kuil graaft, waaruit de schimmen dan opduiken. Dat is te makkelijk, oordeelt Kroonenberg. Een beetje hellevaarder gaat zelf de diepe diepte in. Een tweede nulresultaat dus. Mooi.

Het kan eigenlijk niet: fictie letterlijk nemen, romans en gedichten nareizen, naar sporen zoeken. Tegelijkertijd is onomstotelijk waar dat schrijvers zich door hun omgeving laten inspireren. Waarom zou je fictie en werkelijkheid dus niet naast elkaar mogen leggen? Het is een leuke sport en je komt nog eens ergens. Onder de grond dus. Via Vergilius’ Aeneas reizen we met Kroonenberg mee naar de Campi Flegrei, de ‘brandende velden’ nabij Napels. Vergilius kende dit vulkaangebied van nabij, de Aeneas-sporen liggen er voor het oprapen.

Langzaam ontwikkelt Kroonenberg óók een tweede programma in Waarom de hel naar zwavel stinkt: een pleidooi voor liefde en aandacht voor onze aardbol. Reis in plaats van naar de maan eens naar onze eigen ‘onderwereld’. Dat hij een prachtig hoofdstuk schrijft over de avonturen van Professor Lidenbrock en diens neefje Axel uit Jules Vernes Reis naar het middelpunt van de aarde (1864) past daarin. Verne oriënteerde zich grondig op de geologie van zijn tijd en als er sprake is van reuzenkristallen onder de grond komt Kroonenberg op de proppen met de verbijsterende gipskristallen uit de Naica-grot in Mexico. Ten slotte bevat Kroonenbergs boek ook nog eens een memoires-aspect: een terugblik op zijn lange geologische loopbaan.

Naar het middelpunt van de aarde reizen: met behulp van apparaten komen we tot een kilometer of tien. De rest van ‘toverbal aarde’ moeten we bijeen redeneren of fantaseren. Een bijzonder intrigerend voorbeeld biedt zeventiende-eeuwse wetenschapper Athanasius Kircher, tegenwoordig beschouwd als bevlogen fantasma-producent. ‘En toch,’ schrijft de nuchtere Kroonenberg, ‘was Kircher de eerste die uitging van de alomtegenwoordigheid van het onderaardse vuur.’ Een mooie tegenstelling met Dante, bij wie Lucifer in de heldiepte in ijs zit vastgevroren. Kroonenberg nam een Kircher-prent op, waarop we dat aardcentrale vuur zien afgebeeld, met vuurkanalen richting oppervlakte, waar ze uitmonden in vulkanen.

Ook in een ander opzicht bevat Waarom de hel naar zwavel stinkt fraaie schakelingen. Zo komen we terecht in de beroemde kopermijn te Falun (Zweden), die weer sprekend lijkt op de hel volgens Jan van der Straet. Kroonenberg buigt zich hier over de vraag of de hel een dak kan hebben. Misschien niet. De door God verstoten Engel Lucifer viel op de aarde. ‘De hel is dus tot op zekere hoogte een inslagkrater.’ Met het uiterlijk van de (ingestorte) kopermijn te Falun dus.

Samuel Kroonenberg werkt in zijn boek van de oppervlakte (de hellepoort) langzaam naar het infernale middelpunt van de aarde. Maar niemand wil in de hel blijven. Zijn terugreis beschrijft hij werkelijk schitterend. ‘Ik kom in de vloeibare buitenkern, dat is een riskant traject, want reis ik door gloeiend metaal zoals in Plutarchus’ hel van Thespius. Bovendien is het magnetisme hier intens. Mijn stalen stifttanden springen uit mijn mond.’ Als hij bijna boven is raakt hij verstrikt in een kluwen van kabels en pijpleidingen. En dan ineens, zo zegt hij met Dante, ‘traden we uit voor ’t weerzien met de sterren.’

Waarom de hel naar zwavel stinkt is een erudiete mengeling van persoonlijk en literair reisverhaal, pleidooi voor diepte-ecologische globe-aandacht en populaire-wetenschappelijke geologie. Een geweldig, uiterst fraai geïllustreerd boek – al vergen de aardkundige uiteenzettingen soms meer dan één lezing.

Kroonenberg krijgt de lezer niettemin waar hij hem wil hebben: niet langer met het oog op de hemel gericht, maar op de brandende hel waarop wij leven. Dat laatste bedoelt hij dubbel. Van binnen is de aarde een en al vuur, maar ook spreekwoordelijk: wat is een werkelijkheid waarin de mens de aardkorst omschept tot intens vervuilde gatenkaas maakt, anders dan de hel?