'Ik kan de toewijding niet meer opbrengen'

Voor het eerst trekt een hoge ambtenaar openlijk consequenties uit bezwaren tegen de PVV. Zij vertrekt. „Het heeft niets te maken met morele superioriteit.”

Kees Versteegh

Ze had al een mooie carrière bij de Rijksdienst achter de rug, onder meer als raadadviseur onder premier Balkenende. Ook was ze vrijwel verzekerd van een hoge positie binnen haar departement.

Toch besloot Annemieke Nijhof, directeur-generaal Water binnen het nieuwe departement van Infrastructuur en Milieu, te vertrekken uit de Rijksdienst.

„Ik vond dat ik in het huidige politieke klimaat niet meer voor vijf jaar kon bijtekenen”, zegt ze. „Van de drie directeuren-generaal binnen het nieuwedepartement wordt straks terecht meer dan 100 procent energie en toewijding gevraagd. Die kan ik niet opbrengen.”

Waarom niet?

„Ik doel daarbij op de rol van de PVV in de politiek en in de coalitie. Door de PVV worden 1,6 miljoen landgenoten collectief als fundamentalisten weggezet die onze rechtsstaat bedreigen. In het dorp waar ik woon, is mijn man actief in het vluchtelingenwerk. Ook ben ik al vijftien jaar bevriend met mensen die uit Irak hierheen gevlucht zijn. Ze klagen over het hardere, ruwere klimaat in Nederland. Er ontstaat langzamerhand een taboe om daarvoor te waarschuwen. Als je dat doet, zoals Thomas von der Dunk onlangs, dan word je meteen bij de enkels afgezaagd, zoals dat heet. Ik ben bang voor het verder afglijden van dit land, en wacht met angst en beven de volgende verkiezingen af.”

U gaat dus niet weg uit protest tegen het kabinetsbeleid?

„Nee, mijn besluit heeft niets te maken met mijn politieke bazen op het ministerie, voor wie ik juist veel respect heb. En ook niets met het gevoerde beleid op mijn terrein. En het heeft evenmin iets te maken met wat voor morele superioriteit dan ook. Want ik wil absoluut niet de indruk wekken dat ik me beter voel dan collega’s die andere keuzes maken.”

Premier Rutte heeft steeds een onderscheid gemaakt tussen het regeerakkoord, waarin juist geen verschil wordt gemaakt tussen bevolkingsgroepen, en het gedoogakkoord met de PVV. Is uw vertrek een aanwijzing dat zo’n onderscheid niet werkt?

„Nee, dat mag u niet concluderen. Want als ik dat met u eens was geweest, was ik al oktober vorig jaar opgestapt bij het aantreden van het kabinet-Rutte. Maar in die periode was ik juist een beetje opgelucht. De kabinetsformatie voelde voor mij aan alsof ik in een soort wachtkamer van een dokter zat, waar ik op de afloop van een vervelend medisch onderzoek moest wachten. Toen de dokter naar buiten kwam, dat wil zeggen toen het regeerakkoord bekend werd, en het kabinet tot stand kwam, was ik juist opgelucht. Mijn ergste vrees over het nieuwe kabinetsbeleid was niet bewaarheid.

„Ik had sindsdien geen enkel probleem met het beleid van het kabinet en ook niet met de mensen die het uitvoeren. Maar door de reorganisatie kwam ik wel voor de vraag te staan of ik in het huidige politieke klimaat wil bijtekenen voor nog eens vijf jaar. U moet zich voorstellen dat je in een baan als de mijne heel intensief met de politiek samenwerkt. Dat maakt je extra gevoelig voor politieke klimaatveranderingen.”

Bent u lid van een politieke partij?

„Ja, van D66, maar ik ben een slapend lid. Ik heb nog nooit een partijbijeenkomst bezocht.”

Heeft uw D66-lidmaatschap iets te maken met uw besluit om te vertrekken?

„Nee, ik maak mijn afweging als mens. Die hangt bij mij meer samen met een onderstroom, met m’n onderbuik, zo u wilt, want die heb ik ook. Ik heb in de dertien jaar dat ik nu bij de Rijksdienst werk, met politici van heel verschillende politieke kleur leren samenwerken. Op het ministerie van VROM was dat bijvoorbeeld zowel met Jan Pronk als PvdA-minister als met Henk Kamp van de VVD.

„Bovendien had ik een fantastische tijd als raadadviseur op het departement van Algemene Zaken bij premier Balkenende. Daarom voelt mijn besluit nu ook wel een beetje als een soort falen. Kennelijk ben ik als ambtenaar niet flexibel genoeg.”

Kent u meer ambtenaren die hetzelfde overwegen als u?

„Tijdens de denkperiode die aan mijn besluit voorafging, heb ik er natuurlijk wel met veel mensen over gesproken. Veel ambtenaren in mijn omgeving herkenden mijn overwegingen. Toch ken ik niemand die dezelfde stap gaat zetten als ik nu doe.”

Maakt u aanspraak op de gebruikelijke vertrekregeling voor ambtenaren?

„Nee. ik kies er zelf voor om te vertrekken. Dan ga ik natuurlijk niet van zo’n vertrekregeling gebruikmaken.”