Hij hoefde niet hoger, wel steviger

De Afsluitdijk mag niet beschadigen door de enkele golf die er overheen slaat. Hoger hoeft de dijk niet te worden, maar er komt wel een stevige toplaag. Dat is een goedkope oplossing.

De Afsluitdijk is aan z’n tweede leven toe. Met de aanleg werd in 1920 begonnen en in 1932 werd het laatste gat gedicht. „De Afsluitdijk is, met de techniek van toen, een huzarenstukje geweest dat nog steeds respect afdwingt in binnen- en buitenland”, zegt staatssecretaris Atsma (Water, CDA).

Maar de dijk is oud en de zeespiegel stijgt en de dijk voldoet niet meer aan de normen. De dertig kilometer lange lijn tussen Den Oever en Zurich en z’n bijbehorende sluizen voor scheepvaart en voor het spuien van water op de Waddenzee, behoren volgens de wet stormen te kunnen weerstaan die eens in de tienduizend jaar voorkomen. Nauwkeuriger gezegd: een storm waarvan de kans dat hij voorkomt jaarlijks één op tienduizend is.

Dat is niet het geval. De dijk bezwijkt op dit moment al bij zo’n storm met een jaarlijkse kans van één op duizend. En de schutsluizen voor de scheepvaart zijn zelfs niet bestand tegen stormen die eens in de honderd of tweehonderdvijftig jaar voorkomen.

„Herstel van het vereiste veiligheidsniveau is urgent”, schrijft voorzitter Ed Nijpels van de adviescommissie toekomst Afsluitdijk, die vandaag haar eindrapport presenteert.

Na een oproep van Rijkswaterstaat vijf jaar geleden hebben ingenieursbureaus een vloed aan plannen ingediend om de Afsluitdijk veiliger te maken. En tegelijkertijd aantrekkelijker. Want dat was wat de politiek en Rijkswaterstaat voor ogen heeft gestaan: een opknapbeurt voor het „monument” dat de Afsluitdijk vanaf de bouw is geweest, een „icoon” van Hollandse ingenieurskunst, dat meer bezoekers moet trekken, en dat voor méér kan worden benut dan alleen voor het beschermen van de dorpen en stadjes langs het IJsselmeer, de voormalige Zuiderzee die vroeger zo kon woeden.

Vandaag heeft de adviescommissie haar definitieve keuze gemaakt. Er moet, aldus het advies, een overslagbestendige dijk worden gebouwd. Dat wil zeggen dat de huidige dijk niet of nauwelijks wordt verhoogd maar wel een stevige toplaag krijgt, alsmede een flauwere, stevige helling aan de zijde van het IJsselmeer. De dijk wordt dus niet verhoogd maar stevig gemaakt. In elk geval zo stevig dat de enkele golf die er overheen slaat, geen schade kan toebrengen bijvoorbeeld doordat er zand mee wegspoelt en de dijk daarmee verzwakt.

Een dijkverhoging zou niet alleen duurder zijn, stelt de commissie, maar is ook traditioneel en „vormt daarom geen toevoeging aan de status van de Afsluitdijk als icoon voor de Nederlandse waterbouw”. Dat zou weer wél gelden voor een opvallend plan om op de huidige dijk een kilometers lang stormschild te bouwen, een soort gebogen muur. Het beton van zo’n schild „accentueert de strakke lijn” van de Afsluitdijk. Maar zo’n schild kan, vinden sommige leden van de commissie, ook worden beschouwd als „een verstoring van het landschap en als een schril contrast met de natuurlijke dijken die in Nederland gebruikelijk zijn”.

Waarom een „lichte voorkeur” voor de overslagbestendige dijk? Omdat de investeringskosten laag zijn en omdat dit karwei niet in één keer voor honderd jaar hoeft te worden geklaard, maar in fases. „Als halverwege deze eeuw minder zware maatregelen nodig blijken te zijn, dan scheelt dit geld”, schrijft de commissie.

Er lagen ook veel plannen om de Afsluitdijk veiliger te maken door in de Waddenzee zandlichamen of eilandjes aan te leggen. Maar die plannen zijn volgens de commissie juridisch niet haalbaar – de Waddenzee is immers een Europees beschermd natuurgebied en daar mag je niet zomaar iets aan veranderen.

De overslagbestendige dijk staat, behalve in de plannen van Rijkswaterstaat zelf, ook in één van de vier ontwerpen van consortia die ruim een jaar geleden werden geselecteerd voor een finale beoordeling. Dat ontwerp was van een consortium met Arcadis, Dredging International, Nuon en H+N+S Landschapsarchitecten. Het plan voorzag ook in een brakwatermeer in het IJsselmeer, dat zout water opvangt als het over de Afsluitdijk slaat, en goed is voor natuur, recreatie en energie. Over zo’n meer is de commissie ook positief, hoewel het voor opvangen van zout water eigenlijk niet nodig is: „De frequentie waarmee zout water overslaat naar het IJsselmeer is te verwaarlozen.”

Enkele jaren geleden was het toenmalige kabinet van plan 750 miljoen euro voor de opknapbeurt uit te trekken. Dit kabinet stelt nu 600 miljoen beschikbaar. Van het bedrag moet de dijkversterking worden betaald, en de renovatie of de vervanging van de sluizen. De kosten voor aanleg van een brakwatermeer worden niet door het Rijk gedragen, noch de meerkosten van een naviduct bij de sluizen; een kanaaltje waarin schepen ongehinderd over een tunnel met wegverkeer kunnen varen. Ook een goed idee, vindt de commissie.

De projecten zouden publiek-privaat moeten worden gebouwd, volgens een inmiddels voor wegen beproefde methode van één contract waarin ontwerp, aanleg, financiering en onderhoud worden geregeld. Financiering zou kunnen door Nederlandse banken, maar ook door de Europese Investeringsbank en pensioenfondsen. Ten slotte zouden ook de provincies Noord-Holland en Friesland hun miljoenen uit het Waddenfonds kunnen gebruiken om projecten op te zetten die buiten de verantwoordelijkheid van het Rijk vallen, zoals een duurzaamheidscentrum en proeven met het telen van zilte gewassen.