Europees doolhof na de Arabische aardschok

Elke revolutionaire machtswisseling kent een moment van onherroepelijkheid. De omwenteling kan niet meer worden tegengehouden. Misschien beseffen de opstandelingen het nog niet, maar ze hebben gewonnen, of de gevestigde orde heeft zichzelf met succes verdedigd. Wanneer dat ogenblik is aangebroken, wordt vaak pas later duidelijk. Het probleem van wat we nu de Arabische Lente noemen, is dat die zich voltrekt in een veelheid van centra – Tunesië, Egypte, Libië, Syrië en Jemen, om te beginnen. We mogen aannemen dat de ontwikkelingen in het geheel van de Arabische wereld worden beïnvloed door de gebeurtenissen in de afzonderlijke landen. Ik denk dat ook het omgekeerde waar is. Het Westen heeft er alle belang bij dat dictaturen zich zullen omvormen tot democratieën. Daarom is aan deze kant van de wereld de verleiding groot om de opstandelingen een handje te helpen, maar hoe en wie?

De drang tot interventie wordt ten eerste geremd door de ervaringen in Afghanistan en Irak. Hoe we het ook wenden of keren, het valt niet te ontkennen dat de Verenigde Staten en de NAVO in Afghanistan een oorlog voeren die moet worden beschouwd als uitzichtloos. Als de Amerikaanse strijdkrachten Irak verlaten, doen ze dit met het risico dat daar opnieuw een burgeroorlog zal uitbreken. Deze twee half mislukte interventies verklaren de terughoudendheid van Obama om zich te mengen in de Libische worsteling. Zonder Amerika beperkt de NAVO zich tot verzwaring van de luchtaanvallen. Het is afwachten totdat kolonel Gaddafi het opgeeft. Wie weet slaagt hij erin om het tot sint- juttemis vol te houden, in zijn steeds verder gedesorganiseerde en verwoeste land. Wat dan? Zou dat geen aanmoediging zijn voor een Arabische contrarevolutie?

In Egypte en Tunesië lijkt de omslag te zijn voltooid. Om de consolidering te steunen, heeft de G8 de twee landen 14 miljard euro beschikbaar gesteld. In Egypte moeten nog een paar horden worden genomen voordat we kunnen zeggen dat het op weg is om een ordelijke democratie te worden. In september zullen daar verkiezingen worden gehouden. Nieuwe politieke partijen zijn in staat van oprichting.

Het best georganiseerd is de Moslimbroederschap. Niemand weet welke koers die onder de nieuwe omstandigheden zal kiezen en hoe groot haar aanhang zal zijn. Deskundigen verdiepen zich in de mogelijkheden. In Foreign Affairs, dat zijn jongste nummer wijdt aan de Arabische Lente, schrijft Dina Shehata, die is verbonden aan een wetenschappelijk instituut in Kairo, dat de revolutie de beste kans van slagen heeft als de rebellen van het Tahrirplein erin slagen om politieke partijen te vormen. Zeker is dat niet.

Thomas Friedman, columnist van de International Herald Tribune, is in Kairo. Hij is overwegend pessimistisch. De Egyptische economie bevindt zich in een treurige staat. De helft van de 85 miljoen inwoners moet rondkomen van één à twee dollar per dag . Een op de vijf mensen heeft geen werk. De revolutie heeft gewonnen, maar niet de macht veroverd. Friedman komt tot dezelfde conclusie als Shehata. Eerst moeten liberale, democratische partijen zich vormen. Dan komen verkiezingen. Die brengen toch nog een risico met zich mee. Mocht de Moslimbroederschap een meerderheid krijgen, dan zal dat duidelijke invloed hebben op de nieuwe Grondwet – een beperking van de rechten der vrouwen, kledingvoorschriften, geen alcohol en een grote zeggenschap van de moskee in het functioneren van de staat.

Ik noem nog één deskundige- ooggetuige, Timur Kuran, ook in de Tribune. Hij beschrijft de structurele zwakte van de Arabische maatschappij. Een paar revoluties wekken de indruk dat ze geslaagd zijn, maar het is praktisch uitgesloten dat deze overwinning nu al de grondslag zal vormen voor een pluralistische maatschappij, zoals in het Westen. Daarvoor zijn onafhankelijke, particuliere organisaties met een lange traditie nodig. Die bestaan nauwelijks in de Arabische wereld. Kurans conclusie is dat „de ontluikende Arabische democratieën gemakkelijk kunnen terugvallen tot autoritaire staten” zonder liberale tegenkrachten. Die verkeren nog in staat van opbouw.

Na het hoopvolle begin ontwikkelt de Arabische Lente zich kortom ongecontroleerd verder, tot een doolhof na een aardbeving. Het probleem van het Westen is dat het absoluut niet weet welke politiek de beste zou zijn om de Lente te bevorderen zonder de indruk te wekken dat het, na de afsluiting van het koloniale tijdperk, opnieuw een poging doet om zich te mengen in binnenlandse aangelegenheden in het Midden-Oosten. Aanzienlijke economische hulp? Een Marshallplan! Waar komen die dollars en euro’s terecht? Het is niet uitgesloten dat het een generatie duurt voordat uit deze Arabische chaos een verzameling van moderne staten is gegroeid. Aan de andere kant kunnen Amerika en Europa het zich niet veroorloven om de ontwikkelingen op hun beloop te laten.

Duurt de chaos voort, dan zal dit onvermijdelijk effect hebben op de openbare mening in het Westen. De weerstand, zo niet vijandschap, jegens de islam is hier de laatste jaren steeds sneller toegenomen. Als de Arabische revoluties dreigen te mislukken, terwijl het Westen – bij gebrek aan beter – economische hulp blijft geven en het aantal vluchtelingen naar Europa toeneemt, ontstaat het risico dat de Arabische Lente een Europese nachtmerrie wordt.