Doorgaan

Nogal verdwaasd liep ik gisteren rond. Het was mijn laatste dag als werknemer van NRC Handelsblad in vaste dienst. Ik ging officieel met pensioen.

Voordat u nu begint te huilen of te juichen: voor mijn positie als columnist maakt het geen verschil, want met de hoofdredactie heb ik afgesproken dat ik gewoon doorga. Mocht ik er tussentijds bij neervallen, dan ben ik snel genoeg opgeruimd en opgevolgd. De een zijn dood is de ander zijn column.

Toch maakte de dag van gisteren me een beetje melancholisch, want stel dat het anders was gelopen. De hoofdredacteur had me bij zich geroepen en bijna (bijna) in tranen gezegd: „Ik vind het vreselijk, ik kan het bijna (bijna) niet uit mijn strot krijgen, maar ik móet je verzoeken voorgoed heen te gaan, althans uit de krant, want ik kan een andere columnist krijgen, hij lijkt weliswaar op jou, maar het verschil is dat het een vrouw is, dertig jaar jonger dan jij, ietsje mooier ook, en per column 100 euro goedkoper dan jij. Sorry!”

Wat dan?

Dan zat ik vandaag voor het geopende raam, op het kozijn waarvan ik een kussentje had gelegd zodat ik pijnloos op mijn elleboog kon leunen. Ik keek bedroefd tussen de geraniums door naar buiten, want ik wist dat ik vanaf nu alleen maar indrukken zou opdoen die ik nooit meer kon ‘gebruiken’. Ik hoefde niet meer naar mijn notitieboekje te grijpen om haastig iets neer te krabbelen in dat door de journalistiek verwoeste handschrift. Exit!

Wat ging ik verder met mijn leven doen? Die vreselijke vraag had ik dan moeten beantwoorden.

Er waren enkele mogelijkheden. Ik kon met mijn vrouw naar Lage Vuursche fietsen, waar we op een van de overvolle, met andere gepensioneerden gevulde terrassen, in de namiddagzon koffie met appeltaart zouden bestellen. Eventueel een borreltje ná. En dan maar weer eens op huis aan.

Ik kon wereldreizen gaan maken, maar alleen al van het woord wereldreis werd ik reismoe. Volle vliegvelden, lange vluchten, onaangename lichaamscontroles, vieze wc’s, kille hotelkamers, onverstaanbare talen – had ik er veel zin in? Bovendien, zou ik niet beter eerst Europa grondiger kunnen bekijken voor ik aan de rest van de wereld begon?

Lid van een kaartclub dan maar? Maar ik gaf niets om kaarten. Duivenmelken? Postzegels verzamelen? Bingo in het buurthuis? Vissen? Biljarten? Yoga?

Nee.

Drinken in het café dan? Ja, gezellig, maar ik zag me al op mijn barkruk langzaam de versuffing in glijden, elke dag weer, met die andere grijze knikkebollende mannen.

„Wordt het niet lastig dat jouw man geen hobby’s heeft?” vroeg een vriendin laatst aan mijn vrouw. Ik wist precies wat ze bedoelde. Haar man was een uitmuntende klusser, iedereen vroeg hem om hulp – ik ook, want ik ben juist geen klusser. Voor veel mensen is een hobby iets wat je met je handen doet. Het hoeft niet metselen of timmeren te zijn, je kunt ook met treintjes spelen op zolder, zoals ik volwassen mannen wel eens met liefde heb zien doen.

Ik houd met mijn handen liever een boek vast. Lezen is ook een bezigheid, al associëren veel mensen het eerder met verveling. Maar ik verveel me nooit, tenzij ik in situaties beland waarin ik lange tijd niet kan lezen. Ik zou dus als werkeloze gepensioneerde nóg meer gaan lezen. Maar lezen is voor mij het boeiendst als ik het met een verwante bezigheid kan combineren: schrijven.

Eigenlijk is mijn werk mijn hobby. En daarom ga ik door.