Waarom is er geen ijs van appels?

Elk jaar „als het seizoen van ijsjes eten” weer is aangebroken, vraagt Susan ter Wisscha uit Maarssen zich af waarom ze nergens appelijs ziet. „Elke fruitsoort zit ertussen, behalve appel. Waarom is dat?”, schrijft ze.

De eerste de beste ijscoboer op de hoek zal misschien geen appelijs hebben, maar het bestaat wél. „We kunnen van bijna alles ijs maken, en zeker van alle soorten fruit”, zegt Aart Lozeman, eigenaar van Toscana IJssalon uit Emmen. Drie soorten appelijs heeft hij maar liefst in zijn assortiment. ‘Gewoon’ appelijs, grootmoedersappeltaartijs: met appel, kaneel en rozijnen, en groene appeltjesijs, dat is gemaakt van Granny Smiths.

„Als we het appelijs van onze kaart zouden halen, zouden we zeker met een aantal klanten ruzie krijgen”, zegt Lozeman. Maar, zegt hij, het klopt wel dat appel geen standaard ijssmaak is voor veel ijssalons. Hij denkt dat mensen vaak hun ijsbolletjes op kleur uitkiezen, en dat appel daarom niet zo populair is: „We maken het ijs natuurlijk van de binnenkant van de appel, dus het is een ijssoort met een blekig kleurtje. Net als bij citroen slaat appelijs wit uit.”

IJsmaker Luc Blok van Luciano’s IJssalon in Wassenaar heeft appelijs bewust niet standaard op zijn kaart staan. Appelijs is echt een warm-weer-ijssoort, zegt hij, „een zomersmaak”. Als het wat kouder is, dan kiezen mensen eerder ‘donkere smaken’, die zijn gemaakt op basis van room of melk: „Ze kiezen dan voor chocola, c\karamel- of koffiesmaken. Sorbetijs, op basis van een fruitsmaak en water, is typisch voor de écht warme dagen. Dus wij hebben het als wisselsmaak in ons assortiment.”

Maar waarom is appelijs op warme dagen toch minder populair dan andere friszoete fruitsoorten, zoals bijvoorbeeld citroen? Zomaar, zegt Blok. „Omdat mensen nu eenmaal een voorkeur hebben ontwikkeld voor een klein aantal standaardsmaken.” Chocolade, aardbei, citroen en stracciatella, „die smaken zitten gewoon bij Nederlanders ingebakken”. „Op warme dagen halen wij 10 procent van onze omzet uit citroenijs.”

Annemarie Kas