Overal is stagnatie in Bosnië, behalve in Srebrenica

Al zegt het verstand soms anders, Mladic heeft nog veel steun in Servisch Bosnië. De regio lijkt stil te staan. Met als uitzondering Srebrenica, dat opbloeit met geld uit Den Haag en door het toerisme.

A Bosnian Muslim woman prays before joining others to throw roses from the Mehmed Pasa Sokolovic bridge in the eastern Bosnian town of Visegrad on May 28, 2011, to commemorate the deaths of relatives killed by Bosnian Serb forces in the summer of 1992. The chief suspect for the death thousands of civillians killed in eastern Bosnia, Bosnian Serb wartime military leader General Ratko Mladic, was arrested in neighboring Serbia on May 26, after 16 years in hiding from International Warcrimes Tribunal in Hague. AFP PHOTO / ELVIS BARUKCIC
A Bosnian Muslim woman prays before joining others to throw roses from the Mehmed Pasa Sokolovic bridge in the eastern Bosnian town of Visegrad on May 28, 2011, to commemorate the deaths of relatives killed by Bosnian Serb forces in the summer of 1992. The chief suspect for the death thousands of civillians killed in eastern Bosnia, Bosnian Serb wartime military leader General Ratko Mladic, was arrested in neighboring Serbia on May 26, after 16 years in hiding from International Warcrimes Tribunal in Hague. AFP PHOTO / ELVIS BARUKCIC AFP

„Mladic is een held”, roept Milorad. „Mladic is God”, schreeuwt Goran. Onder luid gejuich van de andere demonstranten zwiepen ze hun Servische vlaggen nog een keer door de lucht. Ze zijn met de auto naar Kalinovik gekomen, om steun te betuigen aan de Bosnisch-Servische legerleider Ratko Mladic. Die werd donderdag gearresteerd. Een schande vinden ze dat.

„Mladic is de enige verdediger van het Servische volk”, zegt Milorad. Zijn achternaam gaat in het lawaai van de demonstratie verloren. „Hij was de enige die bleef strijden voor een Groot-Servië.”

In Kalinovik bracht Ratko Mladic zijn kindertijd door. Er is sindsdien weinig veranderd. De mensen verbouwen er nog altijd hun eigen groenten en fruit, stoken hun eigen slivovic. Zo’n vijftien huizen telt het gehucht, en een kerk, twee cafés en twee ‘minimarkten’. Daar verkopen ze bier, snoep, toiletpapier.

Kalinovik ligt in het zuidoosten van Bosnië. Het is een desolaat gebied, met donkere berghellingen, zware slagschaduwen en wantrouwende, zwijgzame Bosnische Serviërs. Toen ik hier tien jaar geleden verdwaalde, werd ik prompt door norse boeren expres de verkeerde kant op gestuurd.

Maar deze zondagmiddag is alles anders. De zwijgzaamheid is verdwenen. Enkele duizenden mannen en vrouwen zijn gekomen om Mladic eer te bewijzen. Kalinovik is voor de gelegenheid omgedoopt in Mladicevo. ‘Welkom in Mladicevo’ staat er op een spandoek boven de weg.

De demonstranten zwaaien met Servische vlaggen en houden foto’s van de oud-legerleider omhoog. Daarop staat Mladic in zijn ‘gloriejaren’ , tijdens de oorlog, toen hij nog de ogen van een arend en een kin als een houtblok had.

De bijeenkomst is georganiseerd door Bors, een vereniging voor oorlogsveteranen. Het is een armzalige bedoening; de mannen in versleten broeken en op afgetrapte schoenen, hun vrouwen in het verstelde zondagse goed. Het einde van de oorlog heeft vrede gebracht – maar ook niet meer dan dat.

In 1995 werd die vrede gesloten, onder zware druk, op een luchtmachtbasis nabij de Amerikaanse stad Dayton. De oorlog had drie jaar geduurd, bijna 250.000 mensen het leven gekost en meer dan een miljoen mensen op de vlucht gejaagd. Het Dayton-akkoord verdeelde de Bosnische bevolking over drie gebieden: de Serviërs kregen het noorden, oosten en zuiden, een sikkelvormig gebied. De moslims trokken naar het midden van het land. De Kroaten bleven in het westen, niet ver van de Dalmatische kust.

Het Dayton-akkoord bepaalde verder dat Bosnië drie bestuurslagen kreeg: een centrale regering en twee entiteiten. Moslims en Kroaten werden ondergebracht in de ene entiteit, de Moslim-Kroatische federatie, Serviërs in de andere entiteit, de Servische Republiek. Maar bovenal is Bosnië een internationaal protectoraat, geleid door een Hoge Vertegenwoordiger die tevens de Speciale Vertegenwoordiger van de EU is.

De enkeling die de gedwongen volksverhuizing of de instelling van zo’n bestuurlijk monstrum hekelde, vond geen gehoor. De voorzitter van de Joodse gemeenschap in Bosnië, Jakup Finci, bijvoorbeeld, die de verdeling van de drie bevolkingsgroepen over het land „etnische zuivering” noemde, werd uitgelachen. De moslims, Kroaten en Serviërs in Bosnië wilden eenvoudig niets meer met elkaar te maken hebben.

Zestien jaar later hebben ze nog altijd weinig met elkaar op. Zo kijken de Bosnische Serviërs in Kalinovik verbaasd op de vraag wanneer ze voor het laatst een Bosnische moslim hebben gesproken. Of ik gek ben, vraagt de een. De laatste moslim die ik sprak, lacht de ander, was een krijgsgevangene.

Zaterdagavond, in Bijeljina. Een hoosbui heeft net een einde gemaakt aan de demonstratie voor Mladic. Op het plein in de stad in het noorden van de Servische Republiek hadden zich enkele honderden mensen verzameld met vlaggen, foto’s en spandoeken. Daarop stond de tekst die eerder die dag, bij betogingen in Pale en Sokolac, ook al was te lezen: „Je vleugels zijn gebroken, maar we herinneren je vlucht.”

Als het regenen gestopt is, keren de betogers niet terug. Op tv is de finale van de Champions League.

In een koffiehuis zit een groep Bosnisch-Servische studenten. Met Bosnië, zeggen ze, hebben ze weinig op. Ze studeren in de Servische hoofdstad Belgrado, dichterbij dan Sarajevo; rijden in auto’s met Servische kentekenplaten, hebben Servische vrienden en doen hun boodschappen over de grens, in Servië.

De arrestatie van Mladic vergelijken ze met „het doorslikken van een kikker” – het wordt hun door de strot geduwd. Ze snappen dat het moet, wil Servië lid worden van de Europese Unie. Maar van harte gaat het niet. Een held noemen ze hem niet, dat gaat te ver. Wel roemen ze zijn „smetteloze” reputatie. „Mladic was niet corrupt en maakte geen misbruik van zijn positie. Hij at en sliep met zijn mannen.”

Toch, zeggen ze, is Mladic niet het probleem. Dat is de economie. Bosnië staat aan de rand van de afgrond. Buitenlandse investeerders mijden het land, vanwege de beruchte bureaucratie en wijdverspreide corruptie. De productie is laag, de werkloosheid is hoog. De schattingen lopen uiteen van twintig tot veertig procent van de beroepsbevolking. En ja, de boeren verbouwen wel aardbeien en frambozen, maar de jamfabrieken staan in Slovenië.

De deplorabele staat van de economie bedreigt het land dat eigenlijk geen land is. Want Bosnië is geen natie, maar een kunstmatige staat die is gevormd onder druk van buitenaf.

Het maakt diplomaten in de hoofdstad vaak moedeloos. „Ik houd van de mensen, maar haat de stilstand. Bosnië gaat eenvoudig niet vooruit”, zegt een van hen.

Er is één uitzondering: Srebrenica. Deze zaterdagmiddag veegt Avda Purkovic het zweet van zijn voorhoofd. Hij heeft net zo’n vierhonderd moslims uit Zagreb te eten gegeven in zijn restaurant. De moslims zijn op excursie naar Srebrenica; ze bezoeken het monument voor de slachtoffers van de massamoord op 11 juli 1995. Dat bestaat uit een muur waarin de namen van de achtduizend mannen en jongens zijn gegraveerd en uit duizenden witte grafzerken, strak in het gelid.

Aan de overkant van het monument, in de oude batterijfabriek waar Dutchbat was gelegerd, is een herdenkingskamer. De Nederlandse overheid heeft die mede gefinancierd. Veel stelt het niet voor; aan de afbladderende muren zijn een aantal foto’s gehangen en in het midden van de hal staat een zwarte kamer waar gidsen uitleg geven aan groepen bezoekers.

Maar buiten blijkt Srebrenica, in tegenstelling tot de rest van Oost-Bosnië, veranderd. Negen jaar geleden groeide onkruid op de plek van het monument, zaten de gevels vol kogelinslagen, waren de schappen in de winkels leeg en lieten wantrouwige Bosnisch-Servische vluchtelingen hun varkens uit in de bermen. Nu worden er nieuwe huizen gebouwd, zijn de gevels gerestaureerd en hangen tieners rond op straat. Er is een supermarkt, met airconditioning.

Dat is mede te danken aan het hulpgeld dat Srebrenica heeft ontvangen; alleen al uit Den Haag kreeg het stadje de afgelopen vijf jaar jaarlijks vijf miljoen euro, aldus een woordvoerder van de Nederlandse ambassade. Ook het monument, dat er na jarenlang gesteggel toch kwam, heeft bijgedragen aan de opleving van de stad. Behalve groepen moslims uit Europa komen er scholieren en toeristen op af. Aan de overkant van het monument staat een stalletje met souvenirs: bekers, petten en T shirts met ‘Srebrenica 1995’. De verkoopster vertelt dat ze in juli, rond de jaarlijkse herdenking van de massamoord, de beste zaken doet.

De vader van restauranthouder Pukovic was een van de weinige mannen die Srebrenica overleefden. Hij werkte voor Artsen zonder Grenzen en werd door hen mee genomen. Voor de oorlog had hij drie restaurants in en om Srebrenica. In 2002 keerde hij terug om een van die restaurants te heropenen. Makkelijk ging dat niet, zegt zijn zoon. „Bosnische Serviërs wilden niet bij hem eten.” Buitenlandse hulpverleners kwamen wel. „Zij hebben het restaurant gered.” Tegenwoordig schuiven de toeristen en de excursiegroepen bij hem aan.

Met de Serviërs in het dorp heeft Avda Pukovic nauwelijks contact. „We hebben een stilzwijgende afspraak om elkaar met rust te laten.” Dus toen de arrestatie van Mladic bekend werd heeft hij niet gejuicht. En ook de Serviërs hielden zich stil. „We agree to disagree”, zegt hij daar over. Maar dat de bevolking zich na de arrestatie van Mladic met elkaar zal verzoenen, betwijfelt hij. „Daar gaan generaties overheen.”

In Kalinovik, het dorp van de Bosnisch-Servische legerleider, geloven ze niet in verzoening. Daar dromen ze van aansluiting bij Servië. Jongens zwaaien er met Servische vlaggen, meisjes hebben de Servische driekleur op hun wang geschilderd. Als de mannen aan het eind van de middag in hun bestelbusjes stappen en langs de stenen heuvels naar hun dorpen terug rijden, waaien nostalgische Servische volksliedjes uit de openstaande autoraampjes.