Om Houellebecq valt altijd wat te lachen

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel.

Om de romans van Michel Houellebecq valt altijd te lachen, soms besmuikt, meestal voluit. Dat geldt wat mij betreft ook weer voor De kaart en het gebied (Vert. Martin de Haan, De Arbeiderspers, 345 blz €19,95) waarin de schrijver zichzelf opvoert als onsympathiek en onsmakelijk personage. Wat een grandioze zelfspot. Dat hij op verschrikkelijke wijze aan zijn eind komt is niet zo erg. Hij was hij toch uitgeschreven. Tegen een bezoeker zegt hij: „Ik denk dat ik het wel zo’n beetje gehad heb met de wereld als verhaal – de wereld van de roman en films, de wereld van de muziek ook.” Laten we hopen dat deze roman, waarmee de Franse taalvirtuoos de Prix Goncourt won, pure fictie is en dat de echte Houellebecq nog lang blijft leven voor het verhaal.

Lezen om te leven, dat doet de Argentijns-Canadese essayist Alberto Manguel, omdat lezen gelijk staat aan ademen. Evenals van eerdere boeken (Een geschiedenis van het lezen, Dagboek van een lezer, De bibliotheek bij nacht) is dat de voornaamste strekking van de essays in De kunst van het lezen (vert. Nicoline Timmer, Ambo, 412 blz. €23,95), een expeditie door de wereldliteratuur, veelal aan de hand van Alice in Wonderland. Het is onmogelijk niet onder de indruk te raken van de eruditie en de schitterende stijl van Manguel en van zijn inzichten. Zoals in het essay De volharding van de waarheid, waarin Socrates, Heine, Cervantes in luttele bladzijden in het gelid worden gezet om de onvermijdelijke overwinning van de waarheid op de leugen aan te tonen. Wat Manguel schrijft is vaak prachtig, vol verrassende verbanden en verfrissende gedachten. Maar ook lees ik bloedeloze opsommingen en hoogdravende gemeenplaatsen, en soms bekruipt mij het gevoel dat Manguel een narcist is voor wie boeken niets zijn dan spiegels waarin hij doorlopend alleen bewonderend zichzelf ziet.

Altijd al willen weten wat er zat in de koloniale ‘leestrommels’ die we kennen uit de romans van Couperus? Ga dan grasduinen in Realisten en reactionairen. Een geschiedenis van de Indisch Nederlandse pers 1905-1942 (Nijgh & Van Ditmar, 1137 blz. €49,95) van Gerard Termorshuizen. In vakkringen van historici geldt deze P.A. Daum-kenner als „een beetje gek”, omdat hij ook na zijn pensionering als onderzoeker aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden doorging met zijn gedetailleerde onderzoek naar dagbladen in Nederlands-Indië. Maar het is een gekte die tot onnavolgbare resultaten leidt. Samen met zijn eerder verschenen Journalisten en heethoofden over de periode 1744-1905 vormt Realisten en reactionairen een grandioos nieuw standaardwerk voor de persgeschiedenis.

Avond aan avond zien liefhebbers van misdaadseries op tv, zoals Crime Scene Investigation, hoe criminelen in de val lopen van hippe forensische wetenschappers die in de plaats zijn gekomen van de klassieke politiedetectives met hun deukhoeden en vale regenjassen. Voor de digitale tovenaars en de alchemisten van de moderne opsporing lijkt geen misdrijf onoplosbaar. Het is een grappig idee van het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs om in samenwerking met het Nederlands Forensisch Instituut 25 schrijvers van thrillers aan het werk te zetten met waar gebeurde verhalen van lijkensnijders, toxicologen, laboranten, onderzoekers van bloedspoorpatronen, producenten van 3D-visualisaties van de Plaats Delict, gebundeld in Stille getuigen. Sporen van misdaad in 25 verhalen (Stichting CPNB, 263 blz., €7,50). De verzamelbundel is in juni, de Maand van het Spannende Boek, gratis verkrijgbaar in bibliotheken. Spannende verhalen? Nee, niet echt, maar het draait vaak wel om aardige puzzels.

„De linkse president”, zo duidt journalist Edwin Koopman in zijn reportages voor diverse Nederlandse media over Venezuela doorgaans de excentrieke populist Chàvez aan. In De oliekoning. Hugo Chàvez en de beloftes van zijn Latijns-Amerikaanse revolutie (Podium, 218 blz., €17,50) ziet hij net zoveel redenen om hem een nationalist te noemen, of een militarist. Of toch een soort socialist? Koopman beschrijft in levendige scènes een vat vol tegenstrijdigheden. Het chàvisme is een emotionele beweging die streeft naar lotsverbetering voor de armen, maar de armoede blijft dramatisch en de corruptie groeit. De president presenteert zich als man van het volk, maar is zo onbereikbaar als een god. Hij steunt democratisch op een meerderheid die zijn beloften gelooft, maar is ook een autoritaire caudillo zoals Latijns-Amerika er al zoveel heeft gezien. Volgens Koopman heeft Chàvez de kans gemist de enorme olie-inkomsten te investeren in de toekomst. Hij oordeelt genuanceerd, maar per saldo negatief: het ‘petroleumsocialisme’ heeft niet geleid tot ontwikkeling, maar tot afhankelijkheid van voedselimporten.

Elsbeth Etty