Een eenzame man

De rubriek Intussen in Den Haag beschrijft elke zaterdag de achterkant van het politieke bedrijf. Deze week: Eric Lucassen (PVV), die eerherstel wil na onthullingen over zijn verleden.

De Tweede Kamer is behalve controlerend orgaan ook zomerkamp, met verplichte spelletjes, limonadepauzes en levend stratego voor wie wil. Zoals overal zijn er gangmakers, excentriekelingen, grijze muizen, allemansvrienden – en als in ieder zomerkamp ontstaat groepsgevoel, al speelt iedereen elke dag weer tegen elkaar.

Alleen de pestkoppen vallen hier buiten. Op het Binnenhof is die rol voor de Kamerleden van de PVV.

Nog voordat de PVV een regering gedoogde, legde Kamerlid Martin Bosma in vrij veel woorden uit dat zijn fractie niet meedoet aan de consensus hier op het Binnenhof. Wij hebben genoeg aan onszelf. Bosma en zijn collega-PVV’ers waren „een stel straatvechters”. En, anders dan de LPF, „niet uit elkaar te spelen”.

Een jaar later, toen de kiezer van de negen PVV’ers vierentwintig had gemaakt, bleek dat laatste niet te kloppen. Eric Lucassen had een verzwegen ontuchtverleden, maar weigerde zijn zetel in te leveren. Hij is naar eigen zeggen door „een dipperiode” gegaan, maar doet weer mee met debatten, laatst nog over instortende galerijflats.

Toch hangt er een waas van eenzaamheid rond Lucassen. Zijn witte lichaam lijkt te groot voor zijn pakken en voor zijn rustige, bijna zachte stemgeluid. Geheel tegen PVV-mores in, gebruikt hij zelden krachttermen. Een lid van de oppositie zegt: „Als ik met hem in debat zit, vraag ik me vaak af: is dit nu de man die zijn buurvrouw uitmaakte voor ‘dikke zeug’ en die dreigde door een brievenbus te pissen? Ik kan me het gewoon niet voorstellen, zo rustig en bijna soft is hij.”

Dat wil niet zeggen dat Kamerleden van andere partijen zijn eenzaamheid doorbreken. Na debatten loopt Lucassen alleen door het gebouw. Hij loopt onnadrukkelijk en gespannen tegelijk, alsof hij wil zeggen: eigenlijk ben ik hier niet. In de Kamerbankjes kan hij minutenlang stil voor zich uitkijken, ellebogen op het tafeltje, zijn forse witte handen in elkaar gevouwen.

Binnen de fractie, vertelde een PVV’er bij de koffie in het Kamerrestaurant, is hij een ‘persona non grata’. Een melaatse? „Ja, zo kun je het ook noemen.” Vooral de dames in de fractie, zei deze PVV-man, dulden hem slecht in hun midden. Van de commotie rond andere collega’s konden ze de linkse pers de schuld geven, maar brievenbusplassen, dat redeneer je niet weg. Dit is het type man waar de partij in woord tegen ageert.

Waarom zou hij niet zijn opgestapt? Het inkomen? Hij bleek geldproblemen te hebben. Nee, zegt een PVV’er, „het gaat hem echt om eerherstel”.

Wie zijn eenzaamheid gadeslaat, vraagt zich af of dat er ooit in zit. De associatie met de brievenbus is te bekend. En is te sterk.

Pieter van Os