Wonen op het station

Amsterdam 27-5-2011 Maarten Ketels op weg naar de douche op het CS Foto NRC H'Blad Maurice Boyer
Amsterdam 27-5-2011 Maarten Ketels op weg naar de douche op het CS Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

Bij de Hema op het CS in Amsterdam staat een zelf getimmerde hut. De Vlaamse theatermaker Maarten Ketels (24) woont erin. Hij zit op zijn bed en typt op een laptop. Een voorbijgangster steekt haar hoofd om de deur en zegt: „Mag ik vragen: wat doe je hier?”

Ketels legt uit dat hij twee weken in de hut verblijft om materiaal te verzamelen voor een toneelstuk. Twee bevriende theatermakers, Nederlanders, wonen ook in hutten. Rebekka de Wit (25) heeft een plek gevonden op perron 1 en 2. Freek Vielen (25) woont dezer dagen in een prefab-keet aan de overkant van het IJ, op de NDSM-werf. Ze kennen elkaar van hun opleiding woordkunst bij het Herman Teirlinck Instituut in Antwerpen en noemen zich het Huis van Afgevaardigden.

Een titel voor hun toneelstuk hebben ze al: ‘Stel je voor ik zoek een mens’. Ze gaan het opvoeren op het Over het IJ Festival, dat ook hun sponsor is, net als NS, het Vlaams-Nederlands cultuurhuis deBuren en De Theatermaker, een Vlaamse werkplaats voor jonge makers.

Het stuk, voor het Over het IJ Festival in juli, moet gaan over de ideale maatschappij. Uit de gesprekken met voorbijgangers putten ze suggesties hoe die eruit zou moeten zien. „Onderwijs is een terugkerend onderwerp in de gesprekken”, zegt Ketels. „Iedereen wil dat er meer wordt geïnvesteerd in het onderwijs.”

Van de drie heeft hij de meeste aanloop, omdat zijn hut in de stationshal staat. „Ik voer vijftien uur per dag gesprekken. Mijn hoofd is vol van de indrukken.” Hij komt nauwelijks aan schrijven toe. Middenin de nacht riep een zwerver door zijn brievenbus: „Please, let me in.” Hij ging er niet op in en daar heeft hij nu spijt van.

„Er was ook een vrouw die haar man in een rolstoel twee uur bij Maarten parkeerde, zodat zij kon winkelen”, vertelt Rebekka de Wit. Haar eigen publiek, op perron 1 en 2, is „al wat meer gefilterd”. „Het zijn geen toevallige passanten, maar mensen die op weg zijn van of naar Haarlem.” Toch hoort ook zij indrukwekkende verhalen. „Veel mensen bevinden zich op een dieptepunt in hun leven en vertellen hoe ze eruit proberen te komen.” Freek Vielen heeft zijn prefab-keet, op de winderige NDSM-werf, vlakbij de steiger van de pond, versierd met grote, bebladerde takken. Voor de deur heeft hij een tuin gecreëerd, door een kant-en-klare grasmat uit te rollen. Op het dak staat een bad. Hij kookt op een houtvuurtje. „Ik hoor vooral dat de mens geen tijd meer heeft, zelfs niet voor vrienden. Die gehaastheid moet beslist in ons toneelstuk terugkomen.”

Claudia Kammer