Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Boeken

Inktzwart

A. F. Th. van der Heijden is een schrijver die zaken tot mythische proporties kan uitvergroten. Maar in Tonio. Een requiemroman, het boek over de dood van zijn enige kind, is hij daar amper in geïnteresseerd. ‘Tonio mag geen literatuur zijn, lijkt wel.’

©

A.F.Th. van der Heijden: Tonio. Een requiemroman. De Bezige Bij, 640 blz. € 29,90 / € 23,90 (pbk)

In De sandwich (1986), het eerste requiem dat A.F.Th. van der Heijden publiceerde, deinst de hoofdpersoon terug als hij op het punt staat om de ouders van zijn dode vriendin te ontmoeten: ‘Maar de enige uitweg werd ingenomen door Karines ouders (heel andere mensen dan ik gekend had, nu ze haar ouders niet meer konden zijn), die hun verpestende verdriet voor zich uit stuwden de trap op, als een massieve tochtvlaag.’

In de als Engelenplaque (2003) verschenen dagboekfragmenten staat de geboorte van Tonio van der Heijden op 15 juni 1988 tot in detail beschreven. Vijf weken later noteerde Van der Heijden een idee voor een roman. Werktitel: ‘Rouwadvertenties’: ‘Elk hoofdstuk is genoemd naar de instantie die een rouwadvertentie voor de overleden hoofdpersoon (die dus niet levend in het ‘heden’ van de roman voorkomt) heeft laten plaatsen.’ 1. Het gezin 2. Het bedrijf 3. De vrienden, zo tot het slothoofdstuk De maîtresse.

Het Boekenweekgeschenk Weerborstels (1992), over een jongen die omkomt bij een nachtelijk verkeersongeval, droeg Van der Heijden op aan zijn zoon Tonio. Meestal droeg hij zijn werk op aan zijn vrouw Mirjam Rotenstreich en hun kind, maar Weerborstels alleen aan zijn zoon.

Rouw maakt dat alles wat je ziet en hoort verwijst naar het verlies dat je hebt geleden. Soms via de vreemdste omwegen; de volledige associatiekracht van je hersenen lijkt aangewend te worden om je gedachten zo snel mogelijk naar de dode te leiden. ‘De ooit zo zuivere herinneringen worden verklikkers van de dood,’ schrijft Van der Heijden nu.

Bij een rouwende schrijver treedt een tweede effect op. Elke verwijzing in de boeken van Van der Heijden naar rouw of naar de dood, en zeker de dood van een jongere of de dood door het verkeer, leidt naar hetzelfde. In nog pijnlijker mate geldt dat voor de passages waarin Tonio (Totó) van der Heijden voorkomt – dat zijn er nogal wat, verspreid over verhalen en egodocumenten. Alsof een wrede literaire godheid Van der Heijden meer dan dertig jaar heeft laten schrijven, uitsluitend ter voorbereiding van het boek dat vandaag verschijnt: Tonio. Een requiemroman.

Tonio is een boek om voor terug te deinzen, zoals de hoofdpersoon van De sandwich dat doet voor het massieve verdriet van de ouders. En als je het eenmaal leest, is het een boek waardoor je aan de bedden van je zoons gaat controleren of ze nog veilig liggen te ademen.

Zoals een ‘oerboek’ soms alles lijkt te bevatten wat een schrijver, in de woorden van Nijhoff, ooit te schrijven droomt, zijn er boeken met een oerzin. In het geval van Tonio is dat een zin uit de rouwadvertentie die Mirjam Rotenstreich en Adri van der Heijden een jaar geleden plaatsten, waarin zij vertelden hoe hun 21-jarige zoon Tonio in de vroege ochtend van Eerste Pinksterdag op de fiets was aangereden en een dag later was gestorven: ‘Hij was ons enige kind.’

Het verdriet dat in dat zinnetje is samengebald, is het voornaamste ingrediënt van Tonio. Het boek begint met de zondagochtend waarop twee politieagenten aanbellen bij de Van der Heijdens met het nieuws dat hun zoon in kritieke toestand in het AMC ligt en wordt geopereerd – al uren. Het beschrijft de dagen en maanden die volgen, afgewisseld met de herinneringen aan Tonio, van zijn geboorte tot de laatste dagen voor zijn dood.

Tonio was een jongen met wie je amper ruzie kon krijgen: lief en empathisch voor zijn vrienden en zijn ouders, intelligent, talentvol en bovendien steeds gelukkiger. ‘Hij was aan het groeien’, zegt een vriend over hem na zijn dood. Tonio was een verwoed en talentvol fotograaf.

De anekdotes over Tonio als kind gaan van uitgelaten verstoppertje spelen tot het moment waarop hij zelf een ‘interview’ geeft aan een radioverslaggever wanneer hij zijn vader vergezelt bij een signeersessie. De jongvolwassene zie je voor je wanneer hij zijn altijd maar weer met werkschema’s worstelende vader spottend vraagt: ‘Zit je al op tien pagina’s per dag?’

In de reconstructie van Tonio’s levenseinde is een speciale rol weggelegd voor een onbekend meisje, met wie Tonio de donderdag voor zijn ongeluk een fotoshoot had gemaakt. Wat wist zij van zijn laatste dagen? Was er een romance aan het opbloeien? Het is het soort onderzoek waarvan je als buitenstaander zou kunnen denken dat het troost biedt, maar nee: ‘Wat het wroeten in Tonio’s laatste halve week opleverde, moesten we nog afwachten, maar verder ontdekten we dat het actief zoeken naar een manier om het verlies te verwerken, de pijn alleen maar erger maakte.’ De wetenschap van Tonio’s dood besmet alle herinneringen, alle anekdotes: ‘Ze voorspellen het sterven van de jongen die er de hoofdrol in speelt.’

Die ‘besmetting’ treedt in het hele boek op. Zo krijgt een onschuldige opmerking van Van der Heijdens broer dat Tonio moeilijke jaren tegemoet gaat omdat hij lijkt op zijn vader als twintiger, de kracht van een mokerslag. Die jaren zal Tonio immers helemaal niet krijgen. Twee weken voor Tonio’s dood zegt Mirjam over Tonio: ‘Die redt zich wel.’

Toch is er niet alleen maar verdriet. Over het sterfbed van zijn zoon schrijft Van der Heijden: ‘Bij al het peilloze verdriet waar ik in wegzonk, was er nog plaats voor andere aandoeningen. Zoals trots. Ik was trots op hem: zoals hij daar sereen en soeverein lag te sterven. Hij kon het, hij deed het, hij stierf. Het was meer dan iemand tot nu toe van mij had kunnen zeggen.’ Het is tekenend voor de observatiekracht van de schrijver A.F.Th. van der Heijden die, hoe ontroostbaar ook, toch dezelfde blijft.

Een boek als Tonio onttrekt zich aan gewone literaire kritiek. Niet alleen omdat het van weinig compassie zou getuigen om de waarheid van een gestorven kind langs een koude literaire meetlat te leggen, maar vooral omdat je onmogelijk kunt uitmaken of je aangedaan bent door wat de schrijver opwekt of door de wetenschap dat wat hij schrijft wáár is. Van der Heijden lijkt huiverig geweest om dit requiem al te literair te maken, of misschien had hij geen keus. ‘Sinds eind mei is het juist Tonio die mij aan het schrijven houdt. Dagelijks van halfelf ’s ochtends tot vijf uur ’s middags, zonder lunchonderbreking. Het is eerder een dwangmatig ritueel dan een vrijwillige uitoefening van mijn vak.’

Vergeleken met de rest van zijn oeuvre is dit boek een halve Van der Heijden, of een Van der Heijden tegen wil en dank. Want natuurlijk zit het boek vol met de dwarsverbanden en verwijzingen die Van der Heijden als geen ander kan blootleggen. Zoals het feit dat het ongeluk van Tonio is vastgelegd door een bewakingscamera, net als de dood van Tonnis Mombarg in Homo duplex. Of het feit dat Tonio geboren werd in de zomer waarin het Nederlands elftal werd gehuldigd als Europees kampioen 1988 en dat hij stierf aan de vooravond van het ‘zilveren’ WK 2010. Beide huldigingen komen in het boek voor. In een gewone roman zou Van der Heijden zo’n literair effect ten volle hebben uitgevent, soms op het euforische af. Hij is een schrijver die leeft van het vergroten, liefst tot mythische proporties van wat hij in de wereld aantreft. In Tonio lijkt hij daar amper in geïnteresseerd.

Dit boek mág geen literatuur zijn, lijkt het. Nog zo’n literair effect: kort na zijn geboorte werd Tonio in het Slotervaartziekenhuis gefotografeerd, omdat ze dat daar nu eenmaal met alle pasgeborenen doen. Als hij in het AMC is gestorven, moet zijn lichaam nog even blijven liggen zodat de gerechtsfotograaf zijn verwondingen kan vastleggen. Al die foto’s verwijzen dan ook nog naar Tonio de fotograaf, maar die ‘literaire’ cirkel heeft nu geen waarde. ‘Het menselijk bestaan klopte van geen kant, maar de cirkels waren altijd mooi rond, en dat was nou precies wat er niet aan deugde. Dat de cirkel van mijn leven die van Tonio bleek te kunnen omsluiten, dat maakte er voor de rest van de wiskundige eeuwigheid een besmette meetkundige figuur van.’

Tonio is een ongepolijst boek: er zitten losse eindjes in, herhalingen, gaten en sprongen in de tijd, een enkele verschrijving – allemaal zaken waarvan je je zou kunnen voorstellen dat ze ‘verbeterd’ hadden kunnen worden. Maar als er één rationeel voornemen uit Tonio spreekt, dan is het dat de dingen niet mooier gemaakt mogen worden dan ze zijn – ook het boek niet.

Veel meer dan om de schrijver A.F.Th. van der Heijden draait het hier om de persoon. Want tussen de waarheidsvinding over het leven van de zoon zitten eindeloze beschrijvingen van de ellende van de ouders. Hoe ze steeds maar weer naar de geitenboerderij in het Amsterdamse Bos gaan, om een plastic tas vol rouwpost te lezen en omdat het de plaats is waarvan ze vermoeden dat ze er geen bekenden zullen aantreffen. Hoe ze zich elke avond maar weer volgieten met wodka-jus en gin-tonic (‘De drankflessen in de hal hebben medicijn of gif bevat – ze zijn hoe dan ook leeg’). Hoe het van de muur storten van de gouden regen in de tuin (Tonio had er vlak voor zijn dood nog iets over gezegd) een voorbode lijkt van een estafette van vernietiging. Hoe ze zich verraden voelen door de vrienden van Tonio. En hoe er steeds weer wordt gehuild, al dan niet geluidloos. Het is meer verdriet dan een mens kan verstouwen – en soms ook meer verdriet dan een lezer kan verdragen.

Dieper nog dan in de gezamenlijke rouw (een van de losse eindjes in Tonio is dat Mirjam Rotenstreich ook aan het schrijven is) graaft Van der Heijden in zijn persoonlijke verdriet, dat al snel de vorm krijgt van een veelkantig zelfverwijt. Want was de onvoorzichtigheid die Tonio fataal werd (fietsen met drank op, zonder licht) geen voortzetting van de zijne? Hij was die nacht om kwart over vier wakker geworden, had hij niet moeten bellen, een voorgevoel moeten delen? Had dat Tonio niet een paar seconden vertraging opgeleverd, genoeg om de fatale auto rakelings te missen?

De dood van zijn zoon betekent zijn mislukking als vader, zegt Van der Heijden keer op keer. In een van de akeligste passages van het boek beschrijft hij hoe hij verliefd op Mirjam werd toen zij pas twintig was; hij heeft haar jeugd ‘gestolen’ door haar zo jong tot een serieuze relatie te verleiden. ‘Later heb ik haar met jong geschopt, en daarmee behoorden haar jeugdjaren voorgoed tot het verleden.’ En dan: ‘Ik schopte haar niet alleen met jong, ik schopte haar ook met dood.’

In De sandwich schreef A.F.Th. van der Heijden 25 jaar geleden met nauw verholen opwinding over de vitaliteit van de herinnering aan een dode, over de kracht van een requiem. ‘Wij droegen zijn oude, afgeworpen leven verder, ongeveer zoals een vrouw nieuw leven draagt, we ontwikkelden het ieder voor zich tot een onstoffelijk organisme, iets met een kop en een staart, dat we voedden met onze eigen ideeën, gedachten, verwachtingen, herinneringen, en zo volgroeid lieten raken, om het ten slotte te baren in net zo veel gedaanten als er nabestaanden waren.’

Dat citaat heeft vrij precies aan wat Van der Heijden gedaan heeft bij het schrijven van Tonio, maar de betekenis die hij eraan geeft is gespeend van welke illusie dan ook. Nu schrijft hij: ‘Mijn huidige onderwerp is een soort pikzwart wonder dat op mijn pad is gekomen’. En pikzwart zal het blijven.