'Ik ben mysterieus, maar op het podium zeg ik alles'

In haar karakteristieke zwarte kleding en met haar zwart omrande ogen was zangeres Juliette Gréco een symbool van links en existentialistisch Parijs in de jaren vijftig. De inmiddels 84-jarige diva geeft vrijdag een eenmalig concert in Amsterdam. „Zingen is het geluk om sommige dingen te zeggen en teksten en ideeën te delen. Dat geeft me veel kracht.”

JEAN-MARC LUBRANO

Juliette Gréco (84) is één van de laatste nog levende heldinnen van de Parijse jaren vijftig. In de rokerige cafés van de Franse hoofdstad, waar ze als twintigjarige haar carrière als chansonnière begon, groeide ze uit tot de muze van menig existentialist. Op het podium ‘leende’ ze geëngageerde liedteksten van bevriende schrijvers, onder wie grootheden als Sartre, Prévert, Gainsbourg en Aznavour. De titels van enkele van haar zeggen wellicht iets over haar succes: Déshabillez-moi (Kleed me uit), J’arrive (Ik kom) en Je suis comme je suis (Ik ben zoals ik ben). Het ondeugende, pientere meisje in Gréco is nog altijd aanwezig. Ook nu nog wil ze de liedjes, het gevoel en haar engagement delen met het publiek, zegt ze. Gréco praat zoals ze zingt: zwoel, zwaar en langzaam.

Op het podium geeft u de indruk een mysterieuze vrouw te zijn. Hoe bent u werkelijk?

„Ja, ik ben mysterieus. Ik zeg veel, maar zeker niet alles. Ik ben gesloten, omdat het alleen mijzelf aangaat. Mijn leven is van mij. Mijn geheimen zijn mijn geheimen. Maar niet op het podium, daar zeg ik alles.”

Tijdens het zingen van ‘L’Accordéon’ doet u alsof u accordeon speelt op uw lichaam. Doet u dat nog steeds?

„Ja, en aanstaande vrijdag in Amsterdam zal ik dat weer doen. De accordeon is een sensueel instrument. Het is een volksinstrument waarmee in de jaren dertig veel walsen werden gespeeld. Dan danste men echt lichaam tegen lichaam, de mannen met petten op, de meiden met korte rokken. Dan doen we helaas niet meer.”

U bent heel jong begonnen met zingen. Is het altijd uw doel geweest zangeres te worden?

„Absoluut niet. Ik had nooit gedacht dat ik op een dag zou gaan zingen. Ik nam juist acteerlessen, omdat ik graag actrice wil worden.”

Waarom wilde u liever actrice worden dan zangeres?

„Waarom? Waarom ben ik brunette? Omdat acteren een magnifieke manier is om je te uiten. Omdat het voor mij een manier was om poëzie en literatuur te ontdekken, en een manier om dat over te brengen. Het was voor mij een magisch vak, en nu doe ik eigenlijk hetzelfde met muziek.”

In de jaren zestig broeide het in Parijs onder studenten en intellectuelen. U zat er middenin en raakte bevriend met bekende schrijvers die later liedjes voor u schreven. Zocht u deze kringen daarom op?

„Ik had het geluk bij toeval mensen te ontmoeten die vertrouwen in me hadden, die me graag mochten. Zij schreven liedjes voor me omdat ze me leuk vonden. Voilà. Ik heb ze nooit gevraagd voor me te schrijven, dat boden ze zelf aan. Nog voor dat ik begon met zingen, kende ik al Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Albert Camus enzovoorts.

„Zij wilden voor mij schrijven omdat ze me in het theater hadden gezien en me poëzie hadden horen voorlezen op de radio. Ik was actrice, maar Sartre besloot dat ik moest gaan zingen. Ik vond het een eer dat ik zijn liedjes mocht zingen. Ik ben deze schrijvers nog altijd dankbaar.”

U werd gezien als de muze van Saint-Germain-des-Prés. Zag u dat zelf ook zo?

„Dat zei me toen niks. Het was de tijd na de oorlog, ik was daar helemaal niet mee bezig. Toen ik deze schrijvers en dichters ontmoette was ik erg onder de indruk, want ik was veel jonger dan zij. Het was een tijd waarin een meisje van 17, 18 jaar makkelijk zulke mensen kon ontmoeten. Omdat we de vrijheid hervonden en de ware genegenheid.”

Wat voor gesprekken had u met uw schrijvers?

„Ik praatte niet, ik luisterde. Ik was erg jong en verlegen.”

Op het podium was u niet verlegen.

„Nee, omdat ik het niet zelf ben die praat. Ik zeg andermans teksten op, teksten die ik gekozen heb en waar ik van hou. Dus ik interpreteer en ik ben een vertolker. Dat geeft me veel kracht.”

Heeft u heimwee naar vroegere tijden?

„Ik heb nergens heimwee naar. Ik heb alleen fantastische herinneringen aan ontmoeting van geweldige dichters en filosofen. Ik zit vol dankbaarheid en geluk dat ik ze heb mogen kennen.

„Bovendien hebben we het voor 1945 heel moeilijk gehad. De Duitse bezetting was verschrikkelijk. Mijn moeder en zus zaten in een Duits concentratiekamp, en ik zat in de gevangenis. Verschrikkelijk.”

Denkt u daar vaak aan terug?

„Zo min mogelijk. Ik hou niet van slechte herinneringen. Maar ik ben verplicht eraan te denken, omdat er een groot gevaar is in Frankrijk dat Le Front National heet. Dat is toch extreemrechts. Daar maak ik me veel zorgen over. Maar we zullen zien of Frankrijk echt veranderd is. Ik wacht de verkiezingen van 2012 af.”

Vindt u troost in uw liedjes?

„Nee. Zingen is het geluk om sommige dingen te zeggen en teksten en ideeën te delen.”

Er waren radiostations die uw liedjes niet wilden draaien omdat ze die te links en anarchistisch vonden.

„Ik heb erom gelachen, ik was er blij mee. Jammer dat niet overal mijn liedjes werden gedraaid, maar die zong ik toch wel op het podium. Ik werd gecensureerd door rechtse mensen die geen moed of menselijkheid hadden. Erg dom van ze, want dat maakte het publiek natuurlijk alleen maar nieuwsgieriger.”

U bent drie keer getrouwd geweest met bekende mannen en heeft veel beroemde geliefden gehad, onder wie jazztrompettist Miles Davis. Hoe was het om met hem uit te gaan?

„Ik heb het daar liever niet over, omdat het mijn zaak is.”

Waarom wilt u het daar niet over hebben?

„Ik begrijp dat u het interessant vindt, dat is uw vak. Maar het blijft een actueel onderwerp: een blank meisje dat met een zwarte man uitgaat. Helaas is er nog steeds veel racisme. Nu zeggen mensen niks meer, maar blikken zijn het ergst. Toen ik met Miles in Amerika was maakten de reacties op straat me heel boos en verdrietig. In een New Yorks restaurant weigerde ze ons domweg te bedienen. Het was zeer wreed.”

Hoe was Miles Davis’ reactie?

„Heel radicaal. Hij wilde me niet meer in Amerika ontmoeten om mijn carrière te beschermen. Maar in Frankrijk hadden we een soortgelijke ervaring in een sjiek restaurant. Ik kwam daar aan en de gastheer was verheugd om me te zien. Na onze begroeting zag hij een zwarte man achter mij staan. Hij had geen idee dat het Miles was. De gastheer zei direct dat er geen tafel vrij was voor ons was die avond. Ik vroeg om zijn hand en heb er toen flink in gespuugd. Ik ben er nooit meer terug geweest.”

Vorige jaar kwam een film uit over het leven van Serge Gainsbourg, La vie Heroïque. Daarin speelt een actrice uw rol. Heeft vond u dat?

„Ik heb de film niet gezien, maar ik weet dat ik erin voorkom. De film wil ik niet zien omdat ik de waarheid ken en zij niet. De actrice die mij speelt, vind ik wel heel goed. Dus ik ben wel blij dat zij mij speelt.”

De film legt u vast in de geschiedenis van het Franse chanson.

„Zeker. Maar ik zing nog steeds, ik ben nog niet dood.”

Gelukkig.

„Ja en nee. Het is bijzonder het geluk te delen met een publiek. Dat is verrijkend. Maar ik moet niet te oud worden. Nu is het leven nog niet moeilijk, maar ik wil niet dat het wel zover komt.

„Het gaat zo lang ik nog zin heb en de kracht om lief te hebben.”

En dat is nog altijd het geval?

„Ja! Ja!”

Waarom draagt u eigenlijk altijd zwarte kleding?

„Zo voel ik me beschermd. Ik vind het geen sombere kleur, het is een oneindige kleur. Er allerlei soorten zwart. Er zijn zoveel soorten zwart als er wit is. Ik hou ook van wit, dat is zomers. Vandaag draag ik zwart.”

Wat vindt u van de huidige staat van het Franse chanson?

„Niet slecht. Men begint weer te schrijven. Er zijn veel goede, jonge zangers. Zoals Olivia Ruiz, een verrukkelijke vrouw. En de rapper Abdel Malik, wiens liedjes ik ook zing, of eigenlijk, napraat.

„Maar niet alle rappers zijn goed, zeker niet die vrouwonvriendelijke zijn. Daar kan ik niet tegen, daar strijd ik tegen.”

Acteren in Hollywood

Juliette Gréco. Vrijdag 27 mei, Carré, Amsterdam, 20.00 uur.