Bij mij zou je waarschijnlijk denken aan een plassende giraffe

Zoals ik hier weleens eerder heb verteld, ben ik vrij lang: zo’n 1 meter 87. Mensen die me tegenkomen en me slechts kennen van de foto hiernaast, zijn steevast verbaasd. Blijkbaar heb ik een hoofd dat heel goed zou passen bij een klein lijf – iets wat ik zelf nogal zorgwekkend vind. In de loop

Zoals ik hier weleens eerder heb verteld, ben ik vrij lang: zo’n 1 meter 87. Mensen die me tegenkomen en me slechts kennen van de foto hiernaast, zijn steevast verbaasd. Blijkbaar heb ik een hoofd dat heel goed zou passen bij een klein lijf – iets wat ik zelf nogal zorgwekkend vind.

In de loop der jaren ben ik welbekend geworden met de onhandige kanten van mijn lengte: Openbaar Vervoer, Spijkerbroeken, Uitgelachen Worden In Thailand en Onzekere & Boze Mannen. Laatst werd ik echter weer geconfronteerd met een categorie die ik vaak over het hoofd zie: Borrelpraat.

Het is een algemeen geaccepteerd concept dat mensen op borrels, feesten en verjaardagen in staande groepjes samenklitten. Nu is het zo dat hoe rumoeriger een omgeving wordt, hoe lastiger het is om iemand te verstaan die niet dezelfde lengte heeft. Zodra het verschil tussen de mond van de zender en de oren van de ontvanger toeneemt, wordt de de conversatie rommeliger. Je zou er een wiskundige formule van kunnen maken, mocht je wiskundige formules kunnen maken. Iets als rumoer in decibel x m lengteverschil = kans op misverstand benadert 1. Ik heb geen idee wat ik nu zeg.

Het is belachelijk – en toch speelt het mee. Op een luidruchtige borrel sta ik liever naast iemand die ongeveer van gelijke lengte is, zodat we zonder stemverheffing kunnen praten. En in een stampende club is het al helemaal lastig: de muziek staat zo hard dat iedereen lijdt aan discodoofheid, het gevoel dat de hoge en lage tonen in de muziek precies ieders stem neutraliseren, waardoor je niemand meer kunt verstaan. Als je daar met iemand praat die kleiner is, betekent het dat je moet bukken. Los van het oncomfortabele aspect, ben ik bij het bukken altijd bang dat mijn gesprekspartner het als een grove belediging zal zien, en reageert met: „Hallo, ik ben je kindje niet! Ga je me zo ook nog optillen? Een lolly geven? God, ik háát lange mensen.”

Mijn vriend, die net iets langer is dan twee meter, heeft een eigen oplossing voor dit probleem gevonden: hij bukt niet, maar zodra hij met iemand praat die kleiner is, gaat hij flink wijdbeens staan. Bij hem kan dat prima. Het heeft zelfs wel iets zelfverzekerds. Bij mij zou het ergens anders aan doen denken, mocht ik in mijn strakke jurkje tijdens een gesprek steeds wijder gaan staan. Waarschijnlijk aan een plassende giraffe.

Gisteren vond ik een foto van een project dat de Berlijnse kunstenaar Hans Hemmert bedacht: een feest waar iedereen dezelfde lengte heeft. Bij binnenkomst tref je een kast met blauwschuimen schoenverhogingingen aan. Ieder kiest zijn eigen maat verhoging (een dun randje blauw of een enorme plateauzool), zodat uiteindelijk iedereen twee meter is. Elk gesprek is verstaanbaar. Iedereen kan elkaar in de ogen kijken.

De wereld is gemaakt om hem van zo’n twee meter te beleven.