Houden zo, die verkiezingsprocedure

Niet kiezers, maar 566 Statenleden bepalen vandaag hoe de Eerste Kamer er de komende vier jaar uitziet. Zij stemmen vandaag voor de senaat. „Een uiterst merkwaardig systeem”, zei premier Mark Rutte (VVD) afgelopen vrijdag op de persconferentie na afloop van de ministerraad. „Maar ik heb het niet bedacht.”

Het kabinet zal niet met voorstellen komen de indirecte verkiezingen te veranderen. Rutte: „Het heeft geen prioriteit.” En tegen een verslaggever zei hij: „Als u tijd heeft een wetsvoorstel te maken, graag, dan dien ik het in.”

De getrapte verkiezingsprocedure van de senaat kent veel tegenstanders. Maar er zijn ook voorstanders. Drie argumenten voor en drie tegen.

Door Oscar Vermeer

1. Senatoren zijn onafhankelijker

Eerste Kamerleden worden niet direct door de kiezer gekozen en staan daardoor op grotere afstand van de dagelijkse politiek. Daar is bewust voor gekozen in 1848, bij het opstellen van de huidige Grondwet. Ook nu nog geldt: senatoren doen hun werk in de luwte, hoeven niet achter elk incident aan te hollen, voeren geen verkiezingscampagnes en worden geacht wetsvoorstellen vooral inhoudelijk te beoordelen. Die verworvenheden moet je niet zomaar weggooien, waarschuwt Arie Slob, voorzitter van de ChristenUnie-fractie in de Tweede Kamer. „Je hebt een instantie nodig die kritisch kijkt naar wat de Tweede Kamer heeft gedaan. Als er fouten in wetgeving zijn geslopen, dan merken de burgers daar de gevolgen van.” Overigens lijkt de Eerste Kamer haar eigen afstandelijke rol langzaam te ondergraven, onder meer door de lijsttrekkersdebatten in de weken voor de Provinciale Statenverkiezingen. Daardoor kwam de verkiezing van de Eerste Kamer volop in de publiciteit te staan.

2. Anders krijg je twee identieke Kamers

Dit draait om de machtsvraag: wie heeft het voor het zeggen als ook de Eerste Kamer rechtstreeks wordt gekozen? Zowel de Tweede als de Eerste Kamer heeft dan een direct mandaat van de kiezer. Er zijn dan twee identieke, concurrerende Kamers. Dat is vooral problematisch als de verkiezingen voor beide Kamers niet op hetzelfde moment zijn. Stel dat een coalitie in de Tweede Kamer wel een meerderheid heeft, maar in de Eerste Kamer niet. Wie heeft er dan het meeste recht van spreken? Staatsrechtelijk is er geen verschil tussen beide Kamers. Nergens is officieel vastgelegd dat de Tweede Kamer voor de Eerste Kamer gaat. De Eerste Kamer heeft grote bevoegdheden en kan elk wetsvoorstel terugsturen. Bij directe verkiezingen kan de Eerste Kamer terecht zeggen dat ze net zoveel te zeggen heeft als de collega’s ‘aan de overkant’. Zeker als de verkiezingen voor de Eerste Kamer bijvoorbeeld net zijn geweest; dan heeft de senaat een actueler mandaat dan de Tweede Kamer.

3. Anders verdwijnt de provinciale invloed

Tot 1848 kozen de leden van Provinciale Staten de Tweede Kamer, maar na 1848 mochten welgestelde burgers dat zelf doen. Provinciale Staten mochten als compensatie voortaan de Eerste Kamerleden kiezen. Daarmee werd de invloed van de koning, die vóór die tijd de Eerste Kamer samenstelde, afgeschaft ten gunste van de provincies. Maar op de kandidatenlijsten voor de senaat is die provinciale vertegenwoordiging nauwelijks terug te zien. Wel zijn er provinciale en lokale partijen die samenwerken in de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF). Die zouden bij directe verkiezingen te weinig stemmen halen om een zetel in de senaat te veroveren. De partijen zijn niet landelijk georganiseerd. Zouden ze een landelijke partij oprichten, dan is het de vraag hoe aantrekkelijk ze nog voor hun kiezers zullen zijn. „Het is belangrijk het geluid van provincies, die een duidelijke identiteit hebben, landelijk te kunnen laten horen”, zegt senator Henk ten Hoeve, die de afgelopen jaren namens de OSF in de senaat zat.