De walvisvaart

Amsterdam 19/05/2011. Beelden van het Scheepvaartmuseum tijdens de laatste fase van de verbouwing. Op foto een onderdeel van het museum, een verhaal over de walvis. Foto: Olivier Middendorp
Amsterdam 19/05/2011. Beelden van het Scheepvaartmuseum tijdens de laatste fase van de verbouwing. Op foto een onderdeel van het museum, een verhaal over de walvis. Foto: Olivier Middendorp

Als een speerwerper heft conservator Joost Schokkenbroek zijn rechterarm: „Zo stond de harpoenier voor in de sloep.” Hij zwaait zijn rechterarm in de richting van een levensecht model van een walvis: „En dan mikte hij de harpoen in de walvis. Andere harpoeniers deden hetzelfde. Zo begon de lange jacht, waarbij de kleine bootjes kilometers werden meegesleept, totdat het dier was gestorven door uitputting en bloedverlies.”

Grofweg van 1600 tot 1800 waren Nederlanders de belangrijkste walvisjagers ter wereld, een periode waarin een kleine 100.00 Groenlandse walvissen werd gedood. Vóór die tijd gold de walvis als een monster, te afschrikwekkend om te bejagen. Tegenwoordig is de bedreigde walvis een geliefd symbool in de strijd voor behoud van biodiversiteit in de wereld. Schokkenbroek: „Onze tentoonstelling over de walvisvaart beschrijft eigenlijk zijn gedaanteverwisseling van monstrum horrendum tot knuffeldier.”

Blikvanger van de tentoonstelling is de ruim vijf meter lange kop, nek en borstkas van een Groenlandse walvis, nauwgezet in kunststof nagemaakt – compleet met de afzetting van schelpen op de huid. Wie erin kruipt, ziet het enorme hart langzaam kloppen. Straks zit er ook een foetus in. Door het walvisoog – dat voor de gelegenheid tien keer is vergroot – kan de bezoeker kijken naar een sloep-model.

Nederlanders begonnen op walvissen te jagen, toen door de economische bloei in de Gouden Eeuw een tekort aan vetten was ontstaan; vet werd onder meer gebruikt in de leerindustrie. De twintig meter lange Groenlandse walvis was een makkelijk slachtoffer, dik en traag. Schokkenbroek: „En door al het vet bleef hij drijven als hij dood was, waardoor hij makkelijk te verwerken was.”

In de negentiende eeuw kwam de klad in de Nederlandse walvisvaart, die na de Tweede Wereldoorlog een laatste stuiptrekking vertoonde met de bouw van de walvisvaarder Willem Barentsz. Tegenwoordig worden walvissen voornamelijk bejaagd door Noren en Japanners, tot groot verdriet van natuurliefhebbers. De officiële reden voor de jacht luidt ‘wetenschappelijk onderzoek´, maar, zegt Schokkenbroek: „Ik heb anderhalve meter van die onderzoeken staan en alles is al zes keer onderzocht.”

De laatste zaal van de tentoonstelling wordt samen met het Wereld Natuurfonds ingericht om de bezoeker duidelijk te maken hoe die zelf wat kan doen voor de walvis. „Het is makkelijk om te wijzen naar Japan, maar de luchtballonnen die wij zo graag oplaten kunnen net zo goed dodelijk zijn voor een walvis”, zegt Schokkenbroek. „Neem een blauwe vinvis, een dier van dertig meter. Als er een stuk afval ter grootte van een grapefruit in zijn keel blijft steken, kan hij sterven van de honger.”