Het drama van Mc Queen

Alexander McQueen was een radicale modeontwerper. In het Metropolitan Museum in New York is een overzicht te zien van zijn werk.

De jurk.

Veertien maanden na de tragische dood van de ontwerper zorgde de trouwjurk van Kate Middleton ervoor dat de naam Alexander McQueen weer in alle kranten stond.

De precisie van het ontwerp van McQueens voormalige rechterhand en opvolger Sarah Burton – perfect passend, met een korset en een klein vullinkje op de heup, versierd met kanten bloemen – is altijd typerend voor het huis geweest. Weinig ontwerpers van zijn generatie hadden zo’n fijnzinnige hand als Lee McQueen, zoals hij eigenlijk heette – Alexander was zijn tweede naam.

Maar de serene, rustige uitstraling van de creatie was bepaald niet kenmerkend voor McQueen. Eenmaal, voor najaar 2005, maakte hij een rustige, klassieke collectie die was geïnspireerd door de koele heldinnen uit de films van Hitchcock. Middletons jurk, waarvan het silhouet refereerde aan de mode uit de jaren vijftig, had daar zo ingepast. Maar het was een uitzondering in McQueens oeuvre, en een die niet schreeuwend enthousiast werd ontvangen. Het is vast geen toeval dat het een van de weinige collecties is die niet worden uitgediept in Savage Beauty, de grote, indrukwek-kende overzichtstentoonstelling die nu te zien is in het Metropolitan Museum in New York.

Alexander McQueen (1969), die kampte met depressie en drugsverslaving, was een radicale ontwerper. „Mijn werk gaat over mijn seksualiteit en het accepteren van de persoon die ik ben. Ik drijf mijn demonen uit met mijn collecties”, zei hij. En: „Ik wil dat mensen bang worden van de vrouwen die ik kleed.” Zijn shows moesten vooral „geen cocktailparty’s” zijn. „Ik heb liever dat mensen kotsend weggaan.” Cocktailparty’s kon je ze inderdaad niet noemen, de groots opgezette spektakels, waarbij modellen door de lucht vlogen of door water liepen, een witte jurk door twee robotten werd bespoten met verf en waarin verwijzingen naar het oude Egypte moeiteloos werden gemixt met laat 17de-eeuwse kleding en begeleid door een lugubere film vol naakte vrouwen, zwermen sprinkhanen en gezichten die overgingen in brandende schedels.

Op de voorkant van de catalogus van de tentoontelling staat een hologram waarop bijna precies hetzelfde is te zien: een gezicht dat overgaat in een schedel. Het is het gezicht van McQueen zelf.

De doodskop speelde een terugkerende rol in McQueens werk. Zijn sjaaltje met doodskoppen is, samen met de Bumster, een zeer laag uitgesneden vrouwenbroek uit 1993, zijn bekendste en meest gekopieerde ontwerp. Het was ook een van de weinige dingen die te betalen waren.

Savage Beauty, waar uitsluitend vrouwenkleren te zien zijn, begint tamelijk rustig, met een zaal vol staaltjes van McQueens kleermakersvaardigheden: prachtig gesneden en perfect afgewerkte jasjes, broeken en rokken vol bijzondere, asymmetrische details. De ontwerper vond al in zijn beginjaren zijn eigen vorm van tailoring, zoals dat in het Engels heet. Hij bouwde kledingstukken vanaf de zijkant op, en zorgde dat alle lichaamsvormen omhuld werden door een fraaie S-vorm. „Zo krijg ik een vorm en een proportie die werkt voor het hele lichaam”, zei hij.

Voordat Lee McQueen, de jongste van zes kinderen van een taxichauffeur en een huisvrouw uit Londen, begon aan de beroemde mastersopleiding van de modeafdeling van Saint Martins College of Art in Londen, werkte hij drie jaar bij kleermakers op Savile Row, gevolgd door een jaar als kostuumnaaier voor theaterproducties en een periode bij de Italiaanse ontwerper Romeo Gigli, in de jaren tachtig en negentig een bekende naam.

De jasjes uit zijn eindexamenshow (titel: Jack the Ripper stalks his victims), komen uit de persoonlijke collectie van moderedacteur Isabella Blow, die geldt als de ontdekker van McQueen. Blow, die een goede vriendin werd, maakte in 2007, na verschillende mislukte zelfmoordpogingen, een einde aan haar leven. Naar verluidt was de relatie tussen haar en de ontwerper op dat moment niet meer goed. Ze zou zich in de steek gelaten hebben gevoeld door McQueen, nadat hij zijn huis had weten onder te brengen bij de Gucci Group. Na haar dood droeg hij een show aan haar op.

Zwarte veren

In de volgende zaal barst het drama in alle hevigheid los. Voor zwarte, verweerde spiegels staan monumentale creaties, zoals een volledig van zwarte veren gemaakte jurk met verbrede heupen, mouwen als vleugels en een capuchon, en een leren jurk met rode veren aan de hals en op iedere schouder een vogelschedel. Die laatste maakte McQueen voor Givenchy, het Franse modehuis waarvan hij tussen 1996 en 2002 artistiek directeur was; een ervaring waarover hij later zei: „In mijn nachtmerries vlieg ik naar Parijs.”

Een wand is gereserveerd voor de door de Vlaamse meesters en Tudor-portretten geïnspireerde stukken uit de collectie voor najaar 2010. Een paar weken voor de presentatie ervan hing de toen 40-jarige McQueen zich op in de klerenkast van zijn Londense appartement. Zijn moeder was een paar dagen ervoor overleden. De collectie werd afgemaakt door Burton, die al sinds 1996 zijn rechterhand was.

Via deze zaal kom je het Cabinet of curiosities binnen. In metershoge zwarte kasten zijn video’s, jurken en vooral accessoires opgesteld: een metalen korset in de vorm van een ruggengraat, uitlopend in een staart (voor McQueen gemaakt door Shaun Leane), een enorme hoed in de vorm van een Chinese tuin (Philip Treacy), een korset van dik leer met ronde, realistische borsten en extreem brede heupen, schoenen in de vorm van botten.

Donkere romantiek, zo werd de stijl van McQueen vaak omschreven. Romantiek is ook als leidraad gekozen voor de tentoonstelling. Bijna elk van de in totaal tien ruimtes laat een andere variant zien: romantic gothic, romantic exotism, romantic naturalism en zelfs romantic nationalism.

De collectie waarmee hij in 1994 doorbrak, Highland Rape, wordt onder die laatste categorie geschaard. De gescheurde kleren, vaak gemaakt van Schotse ruiten, refereerden aan de oorlog in Schotland in de 16de eeuw, door McQueen „Schotlands verkrachting door Engeland” genoemd. Een persoonlijk thema voor McQueen; zijn vaders familie komt oorspronkelijk uit Schotland.

Van een heel andere orde zijn weer de kleren die verwijzen naar de natuur, zoals een jurk uit de collectie voor voorjaar 2007 van kunstbloemen en – inmiddels verdroogde – echte bloemen („omdat ze doodgaan”), een jurk met een rok van paardenhaar en een lijfje dat in eerste instantie van mos lijkt gemaakt, maar bezet blijkt met piepkleine groene kralen (najaar 2000) en een lange jurk van gebleekte scheermesschelpen (voorjaar 2001).

En zo is elk stuk op de tentoonstelling het bekijken waard: prachtig gemaakt, duister, vernieuwend, emotioneel, uniek – het is eigenlijk te veel voor één bezoek.

Savage Beauty eindigt met zeven stukken uit Plato’s Atlantis, McQueens laatste show, voor voorjaar 2011, die een verbeelding is van de evolutietheorie, maar dan omgekeerd: mensen als waterdieren. De collectie (korte jurken in organische vormen met psychedelische, digitale prints, gedragen met de inmiddels legendarische torenhoge schoenen in de vorm van miereneters) hoort bij de beste die McQueen maakte. En een van de zeldzame recente collecties die niet citeert uit het modeverleden, en iets totaal nieuws toevoegt.

Alexander McQueens carrière duurde maar achttien jaar. Maar hij heeft een rijk, onvergetelijk oeuvre achtergelaten. Ga het bekijken, als het even kan.

Savage Beauty, tot 31 juli, The Metropolitan Museum of Art, New York. metmuseum.org