Over Europa waren we te positief, maar minder EU helpt niet

De elite is in het verleden wat Europa betreft voorbijgegaan aan de wensen van sceptische burgers, alleen trekt ze nu de verkeerde conclusie. Meer samenwerking is geboden, stelt Jaap de Hoop Scheffer.

Sinds het omslagpunt bij het referendum in 2005 valt een groeiende kloof waar te nemen tussen een relatief kleine, Europees en kosmopolitisch ingestelde politieke elite, waartoe ik mijzelf zonder aarzeling reken, en een groeiend aantal burgers (kiezers, voor politici) voor wie niet Europeanisering en globalisering, mij zo vertrouwde begrippen, centraal staan, maar ‘glocalisering’ – de nadruk op het vertrouwde, het nationale, het regionale, het eigene.

Mede als gevolg van deze ontwikkeling en om de kiezers niet al te zeer tegen de haren in te strijken, wenst een steeds belangrijker deel van onze nationale politici zich niet langer te bekennen tot de stelling dat ook verdere Europese integratie op een aantal belangrijke terreinen in het belang van Nederland is. We spreken het begrip ‘Nederlands belang’ altijd uit met een zekere schroom, ten onrechte overigens. Dat is misschien een van de redenen dat deze discussie zo moeizaam van de grond komt.

Who is to blame? Ten eerste de genoemde elite, inclusief mijzelf derhalve, omdat deze ten onrechte uitging van een bestaande consensus tussen de politiek en de burger. Lange tijd was immers de gedachte dat bijna alle in Europees verband gezette stappen haast per definitie goed zouden zijn voor de burger. Opeenvolgende regeringen, niet gehinderd door het nationale parlement, dat te volgzaam was, gingen lijken op de tambour-maître die in zijn enthousiasme te ver op de – in dit geval Europese – muziek vooruitloopt en door niemand meer wordt gezien, laat staan gehoord.

De tambour-maître trok hieruit alleen de verkeerde conclusie – dat het misschien beter was om de Europese maat dan maar wat zachter te slaan, uit vrees dat de harmonie collectief zou ophouden. In de politieke vertaling, zoals gepraktiseerd door de traditionele hoofdstromingen in de Nederlandse politiek – VVD, PvdA en CDA – luidt dat: laten we maar niet meer te veel in positieve zin over Europa spreken. Anders lopen mijn kiezers weg. Dan worden de partijen op de flanken alleen maar groter.

De tijd van de Verenigde Staten als min of meer permanente ‘gatenvuller’ als de Europese bondgenoten militair hun verantwoordelijkheden verzaakten, is voorbij – of, misschien beter gezegd, voorgoed voorbij. Ik herinner me maar al te goed dat ik, als secretaris-generaal van de NAVO, geregeld dagen met Europese hoofdsteden aan de telefoon hing om enkele transporthelikopters of C-130’s los te peuteren voor de ISAF-operatie in Afghanistan.

Het slot van het liedje was te vaak dat ik terechtkwam in het Pentagon, waar de secretary of Defense uiteindelijk zuchtend met de gevraagde hardware over de brug kwam.

De terughoudende Amerikaanse positie met betrekking tot Libië markeert naar mijn opvatting een ommekeer. Ze bevat een duidelijke boodschap voor de Europese bondgenoten binnen de NAVO en een nog scherpere boodschap voor de Europese Unie. Prepareer u ook op scenario’s dat u het militair zelf zult moeten doen, zal de boodschap uit Washington meer en meer luiden.

Voor de EU zie ik belangrijk huiswerk, op twee terreinen – het intensiveren van de veel te traag verlopende integratie wat betreft defensie en, nog belangrijker, het afstemmen van de enorme bezuinigingsoperaties die vrijwel alle EU-ministers van Defensie moeten doorvoeren. Het zal u niet verbazen om uit mijn mond te horen dat bij deze bezuinigingen grenzen worden overschreden, ook hier in Nederland.

Een extra reden tot zorg is het vrijwel geheel ontbreken van afstemming van bezuinigingspakketten binnen de EU en de NAVO. Als de Nederlandse minister Hillen (Defensie, CDA) besluit om de Leopard 2-tanks buiten gebruik te stellen, zou je mogen verwachten – althans hopen – dat in Duitsland en in andere EU-landen niet precies hetzelfde gebeurt en dat Europa in staat blijft om op te treden binnen het gehele militaire spectrum. Ik heb van enige afstemming tot op heden niet veel vernomen, afgezien van een Frans Britse entente over de inzet van vliegdekschepen en hun samenwerking op nucleair terrein.

Meer in het algemeen constateer ik een ontwikkeling die ik zou willen duiden met de term ‘preselectiediplomatie’. Dat is een vorm van ad-hocdiplomatie waarbij een gastland, meestal een groot en invloedrijk land, de invitatielijst opstelt. Daarmee doel ik onder meer op de bijeenkomst op het Élysée in Parijs, aan de vooravond van de Libië-interventie, zonder belangrijke spelers als de Turkse premier en zonder de secretaris-generaal van de NAVO, en, van recenter datum, het ‘Senningen-beraad’ in Luxemburg, over Griekenland en de euro, zonder Nederland en zonder enkele andere belangrijke eurolanden.

Zeker de gang van zaken rond deze laatste bijeenkomst is niet voor herhaling vatbaar. Hierbij komt dat dit soort bijeenkomsten de positie uithollen van de voorzitter van de Europese Raad en van de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Dat is slecht voor hun gezag.

Jaap de Hoop Scheffer is hoogleraar internationale politiek en diplomatieke praktijk aan de Universiteit Leiden. Hij was minister van Buitenlandse Zaken (CDA) en secretaris-generaal van de NAVO. Dit is zijn ingekorte lezing van gisteren, voor het Nederlandse Genootschap voor Internationale Zaken in Den Haag.