Laat die hbo's in hun eigen sop gaar koken

Woedend zijn ze over de diplomadeflatie op hbo’s.

Maar die verontwaardigde studenten hebben met hun volle verstand gekozen voor een flutopleiding.

Eerst zijn er de geruchten over examenfraude aan de hbo-instelling Inholland. Dan volgt een vernietigend inspectierapport. Op vier opleidingen van Inholland hebben studenten onrechtmatig een getuigschrift ontvangen. Ook andere hbo’s maken zich schuldig aan diplomaverloedering.

De maatschappelijke verontwaardiging hierover is groot. Uit een potpourri van journalistieke analyses en opiniestukken blijkt dat het falen onlosmakelijk verbonden is met een cocktail van onderwijsvernieuwing, bekostigingsstelsel en schaalvergroting. Op zo’n hbo-moloch is de volgorde van prioriteiten eerst het budget, dan de managementcultuur met zijn bureaucratie, daarna het pedagogisch didactisch concept rond de zelfsturende student en helemaal aan het eind komen dan de leraren, de lessen en de toetsen.

Jaren kan deze waanzin voortwoekeren omdat iedereen profiteert. De topmanager krijgt een topsalaris, de student zijn diploma en de docent zit vaker op kantoor en geeft minder les. In combinatie met outputfinanciering (op basis van het aantal uitgereikte diploma’s een bedrag krijgen) is dit echter ook het recept voor kwaliteitsverlies. Vandaar de roep om meer toezicht en centrale examens.

Een begrijpelijke reflex, maar een slecht idee. Al is het maar omdat centrale examinering internationaal ongebruikelijk is op dit niveau. Bovendien, de tucht van de overheid is niet nodig. Over de hele wereld bestaan universities en colleges die pretstudies belonen met fopdiploma’s. Ook Nederland doet hier dus aan mee en zo erg is dat niet, want er bestaan daarnaast genoeg degelijke hbo-opleidingen. Er valt wat te kiezen in het hoger onderwijs.

Neem de student communicatie die in zijn vrije tijd een behoorlijke baan heeft in de horeca. Hij is ook nog eens regelmatig aan de andere kant van de bar te vinden, volgt amper les, studeert zelden, leest geen boeken en haalt zijn jaar. Kortom, hij weet verdomd goed dat zijn ontwikkeling traag verloopt. Vanaf die constatering is dit een keuze, die hij zelf maakt, met zijn volle verstand. En ja, dit heeft een daling van zijn arbeidsmarktwaarde tot gevolg. Waarna het volgende keuzemoment opdoemt. Achterstanden kan hij wegwerken in een baan of met een vervolgstudie. Mocht de ambitie daartoe ontbreken, dan is genoegen nemen met matig betaald werk het logische alternatief.

Maar de perceptie van de hbo-studenten is bepaald anders. Als de bestuursvoorzitter van InHolland Doekle Terpstra de schade van het inspectierapport probeert te beperken met informatiebijeenkomsten, ruiken de media bloed en doen verslag. De berichtgeving is zwanger van de verontwaardiging. Er is woede, verdriet en soms zelfs een huilbui. Maar goed lezen leert ook dat vooral de ouders zich roeren. Volwassen studenten laten papa en mama de kastanjes uit het vuur halen. Met andere woorden, iedereen is verantwoordelijk voor hun geluk, behalve zijzelf. En Terpstra is handig, weet wat bezorgde ouders beweegt. De kwaliteit van het onderwijs interesseert ze geen snars. Zij willen toegang tot welvaart voor hun nakomelingen. En kijk nou, daar is uit het niks de bestuurdersoplossing voor alle kwalen; een convenant. Een uitzendbureau garandeert in samenwerking met Inholland een baan voor de verdrietige en woedende studenten. Over een jaar zijn deze zelfbenoemde slachtoffers de sores weer vergeten.

Natuurlijk, in werkelijkheid is deze vorm diplomadeflatie niet meer dan symptoombestrijding; Terpstra plakt pleisters op kogelwonden. Volksvertegenwoordigers nemen hier dan ook geen genoegen mee en eisen een correctie van de overheid. Maar wijsheid in deze begint bij het Amerikaanse adagium pick your battles. In het onderwijs lopen drie miljoen mensen rond. De overheid kan die met het bestaande budget onmogelijk allemaal redden. Laat daarom die hbo-instellingen gaan; het zijn onneembare megaburchten. Hoger onderwijs is bovendien een particuliere investering. Hunkering naar toekomstige welvaart is dan het equivalent van een bewuste studiekeuze. Vanaf de dag dat dit besef doordringt, vechten instellingen om de student, waarna concurrentie het kwaliteitskarwei afmaakt.

De verantwoordelijkheid van de overheid ligt bij de algemene vorming van leerplichtige kinderen; die hebben immers niks te kiezen. Zie hier de ultieme politieke onderwijskwestie; leerlingen in het voortgezet onderwijs concurreren in tijden van globalisering met leeftijdgenoten in de gehele wereld. Als zij onvoldoende presteren, gaan ze met een achterstand het hoger onderwijs in en daalt het rendement van elke investering in zichzelf. De kans daarop is reëel, want het basis- en het voortgezet onderwijs kent een organisatiestructuur die akelige gelijkenissen vertoont met die van het hbo. Colleges van autonome besturen hebben meerdere scholen onder zich en werken vanuit dezelfde opvattingen als hun hbo-collegae. En ook hier geldt; niet de organisatie, het pedagogisch didactisch concept of de bureaucratische rimram, maar het opleidingsniveau en de ambachtelijke ontwikkeling van leraren bepalen de onderwijskwaliteit.

Laat daarom het hoger onderwijs in zijn eigen sop gaar koken, privatiseer het desnoods. Maar nationaliseer de algemene vorming, onteigen de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs en neem landelijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van leraren op basis- en middelbare scholen. Kinderen zullen dan op school meer leren, waardoor ze eerder ontdekken waar ze goed in zijn. Deze zelfbewuste jonge mensen kiezen opleidingen die iets voorstellen. En de sukkel die dan toch liever de pretstudie met het fopdiploma volgt, doet dat vooral lekker zelf.

Ton van Haperen is leraar, lerarenopleider, publicist en auteur van ‘De ondergang van de Nederlandse leraar’ (2007).

Ben je het eens met Van Haperen? Discussieer op nrcnext.nl

    • Ton van Haperen