Ontbijten in de keuken van Jack Nicholson

Reclame- en modefotografie lijdt niet onder de crisis, zegt fotograaf Albert Watson. Er is nog volop vraag naar zijn portretten van sterren. „Dan zeg ik tegen Mick Jagger: zin in een kopje thee?”

Het was een belangrijk moment in het leven van Albert Watson. De deur ging open en ineens stond Alfred Hitchcock in de kamer. „Een surrealistische ervaring”, zegt de 68-jarige Schotse fotograaf die kort Amsterdam aandoet voor een verkooptentoonstelling van zijn werk bij Kahmann Gallery. „In een tiende van een seconde flitste het door mijn hoofd: Het is ’m echt! Hij bestaat! Het is een vreemde sensatie om zo’n beroemdheid ineens in levende lijve te ontmoeten.”

Het was 1973 en Watson was pas net komen kijken in de fotografiewereld. Op verzoek van tijdschrift Harper’s Bazaar moest hij in Los Angeles de wereldberoemde regisseur fotograferen voor de kersteditie. Dat hierna nog duizenden beroemdheden voor hem zouden poseren en dat hij, naast Irving Penn en Richard Avedon, zou worden uitgeroepen tot een van de meest invloedrijke fotografen van de wereld, was iets waar hij op dat ogenblik nog geen weet van had. „Hitchcock stond voor me met een dode gans. Omdat hij een goeie thuiskok was, had Harper’s Bazaar hem gevraagd om zijn recept voor kerstgans. Ik vroeg hem of hij de kop van het beest naar zich toe wilde draaien. Hij begon grapjes te maken. ‘Wil je dat we naar elkaar kijken of moeten we naar jou kijken?’ Ten slotte legde hij het beest op de grond en deed alsof hij moest huilen. Hij was een dankbaar onderwerp.”

Gedurende die eerste fotosessie voelde Watson de zenuwen door zijn lijf gieren. Daarna was hij voorgoed genezen. „Ik ben eigenlijk nooit meer zo onder de indruk geweest van iemand. Dat zal wel te maken hebben met mijn Schotse komaf, wij buigen voor niemand.”

Inmiddels heeft hij zeker 240 covers voor Vogue en Rolling Stone gefotografeerd. Mick Jagger, Johnny Depp, David Bowie, allemaal hebben ze voor zijn camera gestaan. „Ik denk dat ik het talent heb om mensen zich goed te laten voelen”, zegt Watson, die sinds zijn geboorte blind is aan één oog en er met zijn ronde brilletje, grijze stoppelbaardje en zwarte zeemansmuts uitziet alsof hij net uit Pirates of the Carribean 4 is weggelopen. Als nu een ster zijn New Yorkse studio betreedt, weet hij precies hoe hij hem of haar op zijn gemak moet stellen. „Meestal vraag ik: zin in een kopje thee? Uiteindelijk moet je gewoon aardig tegen mensen zijn, dat werkt het beste, ook met sterren.”

Slechte ervaringen heeft hij nauwelijks gehad. „Behalve met Chuck Berry. Die had er geen zin in. Hij deed grof, dat vond ik onbeleefd.”

Met andere sterren, of het nu Barack Obama betreft of Mick Jagger, kan Watson goed door één deur. Kate Moss, die hij al op haar achttiende voor Vogue fotografeerde, noemt hij „een genot om mee te werken”, ook Clint Eastwood is „altijd aardig en joviaal”. „Maar ik bereid me ook altijd goed voor. Ik weet alles van een ster: welke tijdschriften hij leest en naar welke muziek hij luistert.”

Een bijzondere ervaring had hij met Jack Nicholson, die hij in de loop van zijn carrière meermaals fotografeerde. „Ik moest voor een fotoshoot naar zijn huis in Aspen. Toen ik ’s ochtends arriveerde, begon het voor het eerst na lange tijd te sneeuwen. Nicholson vroeg of ik wilde ontbijten. Terwijl ik mijn eieren met spek at, liep hij de tuin in. Hij was zo blij met de sneeuw dat hij op de grond in zijn tuin ging zitten. Ik at mijn ontbijt in de keuken en keek door het raam naar die acteur midden in de sneeuw. Onwerkelijk.”

Watson is inmiddels uitgegroeid tot een van de meest gewilde fotografen ter wereld. Voor een fotoshoot vraagt hij per dag 25.000 dollar. „Meestal is het meer”, zegt hij zonder blikken of blozen. Hij staat erom bekend zorgvuldig en efficiënt te werk te gaan en is meestal met vier assistenten op stap. „Sterren hebben weinig tijd, je moet dus goed zijn voorbereid op hun komst. Ik heb van tevoren alle camera’s en lampen al klaarstaan.” Juist die totale controle op de techniek, geeft Watson de ruimte om te improviseren. „Het draait bij mij uiteindelijk om de persoon. Hoe het licht valt op een lichaam of gezicht, dat moet ik snel kunnen aanpassen. Als je die techniek beheerst, kan je creatief zijn.”

Van de crisis in de bladenindustrie merkt hij weinig. In tegenstelling tot de fotojournalistiek, waar documentairefotografen steeds meer moeite hebben om hun werk in tijdschriften en kranten gepubliceerd te krijgen, zit de mode- en reclamefotografie volgens Watson geheel niet in het slop. „Ik ben misschien bevoorrecht, maar ik heb in de afgelopen veertig jaar maar weinig veranderingen bespeurd. Zolang mensen schoenen en flatscreen televisies willen verkopen, zijn er ook fotografen nodig.”

De laatste tijd doet hij wat minder commercieel werk en ligt de focus op het exposeren van zijn werk in galeries en musea. Zijn vrouw Elizabeth, met wie hij al 51 jaar is getrouwd, is zijn agent en regelt alle afspraken. Zoon Aaron, voorheen werkzaam in New York bij persbureau AP, regelt alle exposities en tentoonstellingen en organiseert de verkoop van foto’s. Een beperkt aantal prints is op de markt inmiddels zeer gewild bij verzamelaars. In 2007 werd bij Christie’s Londen een afdruk van een naakte Kate Moss verkocht voor 108.000 dollar.

Ook in de Kahmann Gallery hangen beroemde zwart-witafdrukken waaronder het portret van Mick Jagger dat hij in 1992 maakte voor Rolling Stone, waarop hij het gezicht van de zanger, door hetzelfde negatief twee keer te gebruiken, liet samenvloeien met dat van een panter. En de beroemde foto van een ultrajonge Mike Tyson die hij in 1986 van achteren fotografeerde: twee kleine oortjes en een indrukwekkende stierenek.

Voor het geld of de roem hoeft hij het niet meer te doen, maar ophouden met werken is voor Watson geen optie. Op de vraag hoeveel dagen hij in de week aan het werk is zegt hij met enige verbazing: „Alle dagen. Ik ben een fotograaf.”

Albert Watson. Kahmann Gallery, Lindengracht 35, Amsterdam. www.kahmanngallery.com