Met een profeet de Oeral in

Boris Akoenin: De rode haan. De Geus, 470 blz. €19,90

Kreeg non Pelagia in de vorige boeken te maken met een witte buldog en een zwarte monnik, in het laatste deel van Boris Akoenins trilogie krijgt deze meesterspeurder te maken met een rode haan. En met een valse messias, ijselijke beroepsmoordenaars, een spoor van lijken, de liefde van rechercheur Doninin en procureur Berditsjevski en net als in de vorige boeken de onmisbare steun van haar meerdere, de korzelige bisschop Mitrofani.

Als dat ingewikkeld klinkt: dat is het ook. Dit is slechts een greep uit de weelde aan bestanddelen van deze lijvige intrige, die zich rond 1900 afspeelt in tsaristisch Rusland en de lezer meevoert naar een slaperig provinciestadje aan de Wolga, de wilde wouden van de Oeral, de woestijnen van Palestina en ten slotte naar Jeruzalem, Sodom en St Petersburg. De rode haan is een bomvolle Akoenin, die vooral door zijn prachtige reeks boeken over inspecteur Erast Fandorin de meest geliefde detectiveschrijver van Rusland is. Akoenin is een pseudoniem van Grigori Tsjchartisjvili, filoloog, criticus, vertaler en gerespecteerd lid der Russische literaire intelligentsia, hetgeen te merken is.

De rode haan begint met de moord op een profeet die de ‘vondelingen’, niet-Joden die zich tot het joodse geloof willen bekeren en door christenen en Joden worden veracht, naar Palestina leidt. Zuster Pelagia, die meevaart met het schip waarop de moord wordt gepleegd, ontdekt al snel dat er veel niet klopt en wekt de bewondering en liefde van inspecteur Doninin die haar overhaalt met het lijk van de profeet naar diens geboortedorp aan de voet van de Oeral af te reizen. Daar duikt een gerucht op over grotten en rode hanen. Maar dan is al duidelijk dat Akoenin meer dan in de vorige boeken gewichtige onderwerpen wil aansnijden. Het aanstaande verzet tegen de tsaar is voelbaar en het Russische ressentiment uit zich in sektarische strubbelingen, zowel in Rusland als Palestina.

Hoewel de teneur authentiek is, gebruikt Akoenin zoveel fantastische elementen dat dit college over de geloofstwisten in de vroeg-20ste-eeuwse Russische en Palestijnse geschiedenis wel wat verwarrend wordt. Joden, ‘vondelingen’, Palestijnen, Zionisten en tsaristen bevechten elkaar in deze kleurrijke processie te midden waarvan Pelagia’s eigen geloof soms wankelt. Zoals wanneer ze te maken krijgt met de Sodomieten, een groep mannen op weg naar het opnieuw herrijzende Sodom dat wordt gefinancierd door ‘een Amerikaanse miljonair, een bekende filantroop, mister George Sairus’, in wie wij grijnzend George Soros herkennen. Akoenin heeft veel lol in dit boek.

De basis is echter erg bovennatuurlijk en maller dan in de vorige delen. Alles draait om Pelagia’s ontdekking in de Oeral dat sommige grotten portals in ruimte en tijd zijn als je er met een rode haan binnentreedt. Tegen het eind wordt de metafysica wat potsierlijk in een verder uitstekende, a-typische thriller.