Het Duitse leger was net zo schuldig als de SS

Eckart Conze c.s.: Das Amt und die Vergangenheit. Karl Blessing Verlag, 879 blz. €34,95.

Mythes kunnen een lang leven leiden – zelfs mythes over zoiets controversieels als de vermeende heldhaftigheid van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens Hitlers Derde Rijk. Allang was te bevroeden dat het Auswärtige Amt niet zo zuiver op de graad was als in de naoorlogse jaren werd voorgespiegeld.

Het is de grote verdienste van de Duitse historici Eckart Conze en Norbert Frei, de Amerikaan Peter Hayes en de Israëliër Moshe Zimmermann dat ze in een uitvoerige studie voor eens en altijd een einde maken aan de mythe van onpartijdigheid en zelfs verzet bij de diplomatieke dienst. Kort samengevat blijkt uit hun boek Das Amt und die Vergangenheit. Deutsche Diplomaten im Dritten Reich und der Bundesrepublik het tegendeel: van verzet tegen Hitler en de zijnen was op het Auswärtige Amt nauwelijks sprake. De collaboratie met het regime was algemeen en vergaand.

Opdrachtgever voor de studie was toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer. Zo rond 2003 verscheen in het huisorgaan van Buitenlandse Zaken een lovende necrologie over voormalig topdiplomaat Franz Nüsslein. Geen woord over diens naziverleden. De bal kwam aan het rollen en de eerste hoge ambtenaar die geen officiële Nachruf meer kreeg, was de Duitse oud-ambassadeur in Tokio en bij de NAVO, Franz Krapf. Hij was niet alleen lid van de NSDAP, maar destijds ook van de SS.

In Das Amt und die Vergangenheit worden mannen als Nüsslein en Krapf ontmaskerd, entlarvt zoals het in het Duits zo mooi heet. Het boek verschaft verder ontluisterende informatie over de naoorlogse informatiedienst van het ministerie, die oorlogsmisdadigers op de hoogte hield van de landen waar ze wel of niet heen konden. Pikant is het nieuwtje dat toenmalig staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Von Weizsäcker in 1936 de aanzet gaf tot de verbanning van schrijver Thomas Mann uit Duitsland.

Moeiteloos is het onthullende en ontmythologiserende karakter van Das Amt und die Vergangenheit te vergelijken met de kritische tentoonstelling in 1995 in Hamburg over de rol van de Duitse Wehrmacht tijdens WO II. Ook de Wehrmacht zou ‘schoon’ zijn geweest; een instrument in de handen van militairen die het eigenlijk met Hitler oneens waren. Niets bleek minder waar: het ‘gewone’ Duitse leger was net zo goed schuldig aan misdaden tegen de menselijkheid als de SS. Dat was een grote schok voor de Duitsers.

Vragen zijn er alleen bij de hoofdstukken over de rol van de diplomatieke dienst en de moord op de joden. Terecht heeft dezer dagen de Münchense historicus Johannes Hürter erop gewezen dat de auteurs hun beweringen over de betrokkenheid van het Auswärtige Amt bij de Holocaust onvoldoende onderbouwen. En dat hun bewering dat Hitlers minister van Buitenlandse Zaken Joachim von Ribbentrop in een ontmoeting met de Führer de Judenfrage naar Europees niveau zou hebben getild, zo boud is omdat over de inhoud van gesprekken tussen Hitler en Ribbentrop niets bekend is.

Hier betreden Conze en de zijnen terra incognita. Deze zaak vraagt om een op zichzelf staande studie, maar doet nauwelijks afbreuk aan de kwaliteit van dit boek.