Een teveel aan democratie?

Er is een tijd geweest dat democratie en nationalisme hand in hand gingen. Dat was in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen volken in opstand kwamen tegen eigen of vreemde heersers. De revolutiejaren 1830 en 1848 zijn in de herinnering gebleven. De zucht naar vrijheid was de drijfveer voor zowel democratie als nationalisme.

In de tweede helft van die eeuw scheidden zich allengs de wegen. Vrijheid en eenheid van de natie kregen voorrang boven vrijheid van de burger. Karl Marx kwam met het ideaal van het internationalisme. Nationalisme werd een ‘rechts’ verschijnsel, democratie een ‘links’ (de liberalen zaten in het parlement links van de voorzitter).

In de eerste helft van de volgende eeuw, na de Eerste Wereldoorlog, perverteerde nationalisme zich tot fascisme en nationaal-socialisme. En toen die in 1945 verslagen waren, was het nationalisme lange tijd taboe. De eenheid van Europa werd toen het ideaal. Niet de natie was meer het doel, maar het supranationale Europa. Het werd precies vijf jaar na het einde van de Europese burgeroorlog gelanceerd.

In de tussenliggende zestig jaar is veel gepresteerd. Er is nu een Europese Unie en een Europese munt. Maar na zestig jaar lijkt het Europese project zijn elan verloren te hebben. Nationalisme steekt weer de kop op – nu in het gewaad van de nationale verzorgingsstaat, die gemaakt heeft dat de burger nog meer belang heeft bij het behoud van zijn staat dan in de tijd dat handhaving van de interne en externe veiligheid de primaire taak van de overheid was.

Nu wordt de legitimiteit van het Europese project steeds meer in twijfel getrokken. Frankrijk en Nederland, dat zich altijd als het beste jongetje van de Europese klas had beschouwd, verwierpen in 2005 de Europese ‘Grondwet’. Drie jaar later kwam de kredietcrisis. Sindsdien groeit de twijfel of het Europese project bestand zal zijn tegen de gevolgen daarvan.

De Europese munt strompelt van crisis naar crisis. Solidariteit met landen die er financieel een potje van hebben gemaakt en zelfs, zoals in het Griekse geval, de partners ronduit hebben belazerd, is aan de kiezer moeilijk te verkopen. Anti-Europese partijen groeien als kool. Is deze reactie kortzichtig? Misschien. Is zij menselijk? Ja. In elk geval moeten democratieën er rekening mee houden.

Historici, en ook sommige financiële deskundigen, hadden altijd al gewaarschuwd dat muntunies niet levensvatbaar zijn zonder politieke unie (zoals trouwens in de geschiedenis is gebleken), maar een Europese politieke unie is een gepasseerd station. Die krijgt, behalve misschien in België, zeker geen meerderheid als ze de electorale horde moet overwinnen. Ondanks alle bereikte integratie is de nationale gedachte sterker gebleken dan de vaders van het Europese project zestig jaar geleden dachten. Het komt er nu op aan te voorkomen dat, bij gebrek aan politieke unie, dat wat al bereikt is, gevaar gaat lopen.

In het Europa van Schengen gaan – zij het om andere redenen – de interne slagbomen weer naar beneden. Met de dreiging overspoeld te worden door miljoenen immigranten van buiten Europa, is indertijd ook geen rekening gehouden. Trouwens – ook Oost-Europeanen, uit landen die lid zijn van de EU, zijn steeds minder welkom. De Europese solidariteit wordt zwaar op de proef gesteld.

Begin deze maand heeft Geert Mak een rede voor het Vlaamse parlement gehouden, waarvan De Standaard een verkorte tekst publiceerde onder de veelzeggende titel ‘Het Europese project wankelt’. Mak verkoopt inderdaad geen knollen voor citroenen. Hij hangt een somber beeld op van het Europa van vandaag, dat ook nog eens vergrijst en minder hard werkt dan de Japanners, Chinezen en Amerikanen.

Ook neemt hij de steeds luider wordende kritiek op Europa, in Nederland komende van Wilders, serieus, maar wanneer hij zich afvraagt waarom die aanvallen doel raken, schiet zijn analyse mis. Dat komt, zo zegt hij, „omdat de Europese democratie nog steeds zo zwak is. De leiders van de lidstaten hebben, uit angst om macht en invloed te verliezen, aan dit prille boompje consequent de kansen ontnomen zich te ontwikkelen tot volwassenheid.”

Maar is het niet eigen aan de democratie dat haar leiders luisteren naar wat bij de mensen leeft? Het probleem is dan ook niet zozeer, zoals Mak zegt, het ‘Europese democratische tekort’, als wel een democratisch teveel. We mogen het betreuren dat de Tweede Kamer in februari de motie-Slob heeft aangenomen, die de regering oproept „krachtig afstand te nemen van elke beweging naar een meer politieke unie”, maar we kunnen niet beweren dat hier democratie is veronachtzaamd.

Moeten we besluiten dat, teneinde het Europese project te redden, de democratie een toontje lager moet zingen en de nodige besluiten vaker achter gesloten deuren genomen worden (waar Mak tegen is)? Dat zou niet lukken. Geheime besluiten blijven niet geheim en werken dan averechts, zoals onlangs weer is gebleken, toen het geheim beraad in Luxemburg over Griekenland (waar Nederland buitengesloten was) uitlekte. We zullen eraan moeten wennen dat democratie een struikelblok voor verdere integratie kan zijn. Dat alle goede zaken, in dit geval: democratie en integratie, altijd verenigbaar zijn, is een primitieve gedachte, maar daarvan is Mak moeilijk te betichten.