Iedereen wil hier blijven tot zijn pensioen

Er wordt fors bezuinigd op de sociale werkvoorziening.

Ergon in Eindhoven moet begeleiders wegsturen. Maar zonder begeleiding kunnen de werknemers niet.

eindhoven sociale werkplaats/wasserij foto rien zilvold
eindhoven sociale werkplaats/wasserij foto rien zilvold

In het kantoor van de wasserij ligt een brief. Keurig handschrift, mooie ronde lus. De brief is afkomstig van een werknemer, een jonge vrouw die in de centrale hal sokken sorteert tussen tientallen strijkende en vouwende dames. De brief, gericht aan haar werkgever, gaat over haar ingeslapen kat. „Het was beter voor hem.”

Sommige werknemers bij de wasserij in Eindhoven willen ’s ochtends even hun verhaal kwijt. Anderen vragen wat ze moeten doen, tot vijf keer op een dag. Of ze gaan zwerven. Voor alle zestig medewerkers geldt: ze hebben begeleiding nodig.

Dat kost geld, meer dan het werk feitelijk oplevert. Zo werkt een sociale werkplaats, bedoeld voor mensen die ondanks een beperking iets willen betekenen.

De wasserij is onderdeel van Ergon, die in Eindhoven de Wet op sociale werkvoorziening uitvoert. Maandelijks levert uitkeringsinstantie UWV mensen aan. Ergon zoekt passend werk voor hen. De helft van zijn medewerkers detacheert Ergon bij andere bedrijven, de anderen – met een grotere beperking – blijven intern. Wie het binnen benauwd krijgt, gaat naar de divisie groen of de kwekerij, wie moeilijk loopt, kan gaan inpakken of belandt in de wasserij.

Maar het kabinet heeft bezuinigingsplannen die de honderdduizend mensen in sociale werkplaatsen raken. Van het budget voor de sociale zekerheid moet 2 miljard euro af, en dat treft ook de sociale werkvoorziening flink. Bovendien wil het kabinet verantwoordelijkheden overdragen aan de gemeenten. Die zien grote risico’s opdoemen en kwamen massaal in opstand tegen de plannen.

„Bezuinigingen? Daar heb ik niets over gehoord”, zegt Cees van Hout (57) van de wasserij. Zijn bijnaam is De Wasbeer, vanwege de kracht waarmee hij vastzittende lakens uit wasmachines haalt. Als schilder is Van Hout begonnen bij Ergon. Hij weet het nog precies, op 14 augustus 1972. Totdat hij zes jaar geleden hoogtevrees kreeg op de ladder en overstapte naar textiel. Nu doet hij als beheerder van drie wasmachines en twee drogers de was voor instellingen en bedrijven. Het werk zit in zijn bloed. „Ik wil hier blijven tot aan mijn pensioen.”

Daar zit nu juist het probleem. Want iederéén van de wasserij wil er blijven tot zijn pensioen. Ontslaan kun je ze niet, want ze worden niet afgerekend op hun prestaties. En hun salaris verlagen is wettelijk onmogelijk. Maar hoe moet je als organisatie dan bezuinigen?

„Dat wordt dramatisch”, zegt Ergon-directeur Peter Quik. Hij zit al weken te rekenen. Om zijn organisatie draaiende te houden krijgt Quik 50 miljoen euro subsidie van het Rijk, waarmee hij precies al zijn drieduizend werknemers salaris kan betalen. Zijn acht divisies – groen, wasserij, etcetera – leveren nog eens 30 miljoen euro op. Daarmee betaalt Quik zijn bedrijfskosten, zoals de kantoren, de verwarming en vervoer. Zo draait hij jaarlijks quitte. „En zo is het bedrijf ook ingericht.”

Nu moest Quik dit jaar al bezuinigen. Hij kreeg 2,6 miljoen euro minder van het Rijk en sneed het meeste vet eraf. Zo ging de sociale werkplaats die het minst opleverde – het montagebedrijf – eruit. Net als een dozijn loopbaanbegeleiders, administrateurs, de merchandising, de krantenadvertenties en de tribune waar het bedrijf zakenrelaties ontving tijdens de marathon van Eindhoven.

Dat is niet genoeg. Volgens de kabinetsplannen moet Quik straks nog eens 7 miljoen bezuinigen. De oplossing die het kabinet aandraagt: geef een deel van de mensen een gewone baan. Dat kunnen ze best aan.

Marjolein van der Linde (32), die bij de wasserij de broeken vouwt, is het daar van harte mee eens. „Ik heb meer in mijn mars.” Het liefst gaat ze nog vandaag terug naar het grafisch werk. „Brieven vouwen, enveloppen dichtplakken, vouwen en inbinden van folders, snijwerk, proefopdrachten uitprinten.” Ze is daar vorig jaar mee gestopt. „Ze zeggen dat ik niet tegen stress kan, maar ik ervaar het anders. Ik leg de lat voor mezelf te hoog.” De paar keer dat Van der Linde heeft gesolliciteerd, heeft ze niets gehoord.

Wees eerlijk, zegt directeur Quik. Al zouden zijn werknemers het willen, het overgrote deel komt echt niet aan een reguliere baan. „De werkgever denkt: deze mensen kosten me geld. Daar gaat hij niet aan beginnen.”

En dus moet Quik blijven rekenen. In 2013 loopt de jaarlijkse subsidie die hij per werknemer ontvangt terug van 25.700 tot 22.050 euro. Op sommige van zijn divisies, zoals de groenvoorziening, kan Quick wat verdienen. Daar zijn arbeidskrachten relatief zelfstandig en is de markt gunstig. Maar met dat geld betaalt hij nu al de duurdere divisies. Zoals de inpakafdeling, waar medewerkers beperkter zijn. Een inpakmedewerker kost al gauw 42.000 euro, aan salaris, vervoer, begeleiding, aanpassing van werkplek, gebouw. Diezelfde medewerker brengt slechts 5.000 euro op.

De facturen van de klant verhogen, is volgens hem geen optie. „De markt zegt niet: goh, jullie zijn zo zielig, wij betalen wel wat meer. Dan geeft de klant zijn klussen aan Polen of Roemenen.”

Misschien dat er nog iets valt te verdienen op zijn gebouwen. En op de taxibusjes, die efficiënter kunnen rijden van instelling naar werk. Maar daar bespaart Quik echt geen 7 miljoen euro mee.

Hij ziet maar één oplossing: snijden in het meest vitale deel van zijn organisatie. Dat zijn de begeleiders. En hij weet al hoe het dan straks verder zal gaan. De mensen die de meeste begeleiding nodig hebben, zijn de dupe. En ja, dat zijn natuurlijk de zwaksten. De mensen die van het inslapen van hun kat nog weken in de war zijn.