Wrede taferelen

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: dierenliefde.

Album Who Let The Dogs Out van Baha Men.
Album Who Let The Dogs Out van Baha Men.

Hoogste tijd om de kinderen weer eens mee te nemen naar ons huisje op het platteland. Mijn jongste zeurt al dagen om een Russische dwerghamster die past in de palm van haar hand – en geen betere manier om de verhouding tussen mens en dier weer een beetje te normaliseren dan met een bezoekje aan de boer.

Vorige zomer parkeerde onze buurman zijn tractor met draaiende motor in de voortuin. We moesten snel komen. Een koe stond op het punt van kalveren. Dus tilden we de meisjes in de laadbak en reden vol gas naar de bevalling. Maar toen we in het weiland arriveerden, stond het rode kalfje al op zijn poten en was het tijd om het jong van zijn moeder te scheiden. Het was niet de bedoeling dat het kalf de kostbare melk ging opdrinken.

Dus wierp de boer het kalfje met een welgemikte worp in de stalen bak van zijn tractor, sprong weer aan boord en drukte het gaspedaal in. Moederkoe zette luid loeiend de achtervolging in. Het was een wreed tafereel. Ook omdat het kalf nog een keer uit de bak viel. Naast mij huilden de meisjes dat ze „noo-hoooit” meer melk zouden drinken. (Maar toen hadden ze de Frappuccino van Starbucks nog niet ontdekt.)

Ook waren we – in het kader van de opvoeding – van de partij toen bij een andere boer stieren gecastreerd moesten worden. Deze boer was van een heel ander type dan onze buurman met de nierband en de handen als kolenschoppen. Deze leek op Alain Delon, onderwees ons over de natuur („De natuur, voor mij is zij als een vrouw”) en citeerde in volle galop gedichten van Kahlil Gibran. Hij stond in de buurt bekend als paardenfluisteraar en op zondagochtend cirkelde hij met zijn zelf gebouwde tweemotorig vliegtuigje rondjes boven ons huisje. Van zo’n man verwacht je toch dat hij zijn stieren op een beetje beschaafde manier castreert.

Die bewuste zomermiddag hadden bronstige knechten en manegemeisjes zich op zijn boerderij verzameld. Als rodeocowboys stapten ze in de ring met stieren en wierpen zich blind op de dieren. Als ze er een hadden, bonden ze de achterpoten vast en dan kwam de grootste knecht met een reuzenknijptang om de ballen af te klemmen. Dan telde iedereen hardop tot vijftien en dan was het voorbij.

Eén stiertje liet zich niet vangen. Na uren lukte het eindelijk iemand om een touw aan zijn staart vast te maken. Mijn dochters stonden toen al achter de schuur te braken van verdriet en ellende. Gelukkig maar, zo hoefden ze niet te zien dat het stiertje zich uiteindelijk wist los te rukken, maar daarvoor wel het kwastje van zijn staart moest achterlaten.

Wat de dieren op het platteland elkaar aandoen is trouwens ook niet misselijk: een rottweiler die – overigens zonder veel ophef – een kleine kitten tussen zijn kaken klemt; onze lievelingshond aldaar die blij kwispelend het ene na het andere dode konijntje voor onze voeten werpt, dezelfde knuffelhond die zijn mismaakte puppy uit het nest verstoot en laat sterven van honger en kou.

Ja meisjes, zo is de natuur, zo zijn de dieren. Tegen dit decor van het platteland maakt mijn verhaal dat dwerghamsters doorgaans hun eigen kinderen opeten wellicht indruk. Maar het is al te laat, zie ik nu. „Morgen ga ik een Russische dwerghamster kopen”, twittert mijn dochter. Haar vader vindt het wel goed.

Ook co-ouderschap is wreed.